De ontvanger en faillissement; drie recente ontwikkelingen


In een recente uitspraak(1) oordeelde de Hoge Raad dat een bestuurder niet aansprakelijk kan worden gehouden voor een verzuim van de curator. De curator in het faillissement van de vennootschap had verzuimd aangifte vennootschapsbelasting te doen voor een verliesjaar, waardoor het verlies niet kon worden teruggewenteld naar het voorgaande winstjaar en de vennootschap een teruggaaf van zo’n € 60.000 misliep die met de belastingschulden verrekend had kunnen worden.

In het aansprakelijkheidsrecht geldt als uitgangspunt dat eenieder in beginsel slechts aansprakelijk te houdenis voor zijn eigen daden en nalatigheden. Behoudens welomschreven op de wet gebaseerde uitzonderingen(2), kan de bestuurder niet door de ontvanger aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van dit verzuimvan de curator; te weten het onbetaald blijven van belastingschulden, aldus de Hoge Raad.


Voor het geval er geen sprake is van een verzuim van de curator, maar van een bewuste keuze om met instemming van de rechter-commissaris lopende fiscale beroepsprocedures over te nemen van de gefailleerde belastingplichtige om deze vervolgens in te trekken, heeft de Hoge Raad beroep tegen die beschikking van de rechter-commissaris mogelijk geacht.(3)

Als de belastingplichtige in staat van faillissement is komen te verkeren en voordien beroep heeft aangetekend met betrekking tot door hem bestreden belastingaanslagen, dan kan de curator de rechter-commissarisverzoeken die procedure over te nemen en in te trekken. In faillissementszaken waarin de boedel leeg is, komtdit regelmatig voor. De Hoge Raad heeft tegen die achtergrond geoordeeld dat de gefailleerde-belastingplichtige in staat moet worden gesteld om in rechte op te komen tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarbij de curator toestemming wordt verleend een fiscale beroepsprocedure in te trekken.


De vordering van de ontvanger, ten slotte, kan niet als steunvordering dienen bij de faillissementsaanvraag vaneen ander bestuursorgaan van de Staat. In een dergelijk geval is niet voldaan aan het pluraliteitsvereiste, omdat de ontvanger van de Belastingdienst niet als een van de Staat te onderscheiden schuldeiser kan worden beschouwd.(4) Hetzelfde geldt uiteraard ook andersom voor het geval de ontvanger faillissement aanvraagt, hetgeen overigens opmerkelijk genoeg steeds vaker gebeurt. De ontvanger is immers een orgaan van de Staat, zodat zijn vorderingen in vermogensrechtelijke zin vorderingen van de Staat zijn en er aldus geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De voor faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering, geldt omdat het doel van het faillissement is verdeling van het vermogen over gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van iemand die feitelijk slechts één schuldeiser heeft, te weten de Staat.


Deze blog is eerder gepubliceerd op FiscaalTotaal.nl


1 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576

2 HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:506

zie ook mijn Kroniekbijdrage in TFB2015, nr. 2, p.36 inzake HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2149

3 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:589

4 HR 26 oktober 2018, ECLI:Nl:HR:2018:1988