Doekje voor het bloeden bij fiscaal verzet?

 

Per 1 januari 2018 is de aan het fiscaal verzet verbonden wettelijk schorsende werking vervallen. Dit betekent dat de ontvanger zich aan een ingesteld fiscaal verzet niets gelegen hoeft te laten liggen en door kan gaan met executie van zijn dwangbevelen, hetgeen hij overigens voorheen in voorkomend geval en in strijd met de wet ook al deed. De belastingschuldige dient, anders dan voorheen, de rechter, in spoedeisende gevallen in kort geding, te verzoeken de betreffende dwangbevelen te schorsen. Het gevolg hiervan is dat menig verzetprocedure illusoir wordt, omdat de ontvanger bij gebreke aan wettelijk schorsende werking zijn slag zal hebben geslagen voordat de rechter verzocht kan worden de tenuitvoerlegging te schorsen. Executoriale verkopen zien immers doorgaans veeleer op bedrijfsbeëindiging dan op het genereren van voldoende gelden om de belastingschulden te voldoen. Hetzelfde geldt voor beslagleggingen; na inbeslagname van de volledige debiteurenportefeuille is voortzetting van de bedrijfsvoering veelal onmogelijk.

 

De schorsende werking was op aandringen van het parlement opgenomen in artikel 17 Invorderingswet 1990 om enig tegenwicht te bieden aan de vergaande wettelijke bevoegdheid van de ontvanger om zelf, zonder enige rechterlijke toetsing van zijn vordering, een executoriale titel uit te vaardigen en te executeren. Zelfs als de aanslag bestreden wordt bij de fiscale rechter en niet onherroepelijk vast staat.

 

De laatste jaren is deze wettelijk voorgeschreven rechterlijke marginale toetsing de ontvanger een doorn in het oog gebleken. Zo heeft de staatssecretaris sinds 1 januari 2008 het beleid gevoerd dat de ontvanger zich niets aan de wettelijke schorsende werking gelegen hoeft te laten liggen als hij zelf maar van mening is dat sprake is van misbruik van de verzetmogelijkheid, hetgeen de ontvanger doorgaans van mening is als verzet is ingesteld.

 

De Hoge Raad maakte bij uitspraak van 1 mei 2015 een eind aan deze praktijken: alleen door een rechterlijke beslissing kan de schorsende werking aan het verzet worden ontnomen en zulks louter op grond van misbruik van bevoegdheid.[1] Afgezien van het feit dat dit een welbewuste keuze van de wetgever is geweest, acht de Hoge Raad hierbij mede van belang dat het gaat om tenuitvoerlegging van een executoriale titel die als zodanig niet door de rechter is getoetst. Hierop heeft de staatssecretaris besloten dan maar de wet te wijzigen, hetgeen, als gezegd, per 1 januari jl. zijn beslag heeft gekregen. Zie hierover mijn eerdere blog.

 

De redenen die voor schrapping van de schorsende werking worden gegeven snijden geen hout. Maar bovendien wordt in het voorstel gesuggereerd dat opheffing van de schorsende werking louter ziet op situaties dat verzet uitsluitend wordt ingesteld om inning van onherroepelijke aanslagen middels executoriale verkopingen uit te stellen. Hangende fiscaal bezwaar en beroep zou de ontvanger zelfs ambtshalve de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorsen. Dit werd destijds bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 het parlement ook al voorgehouden, maar in de praktijk is hiervan echter geen sprake geweest en is de wettelijk schorsende werking menigmaal de enige reden gebleken dat de bestreden aanslagen door de fiscale rechter op rechtmatigheid konden worden getoetst en zijn verminderd tot reële proporties.

 

Opmerkelijk is dan ook geenszins dat deze toezegging van de staatssecretaris aan het parlement dat de ontvanger ambtshalve de tenuitvoerlegging schorst gedurende fiscaal bezwaar en (hoger) beroep niet in de Leidraad Invordering 2008 blijkt te worden opgenomen. Per 1 januari jl. is artikel 17.1 Leidraad Invordering 2008 namelijk gewijzigd in dier voege dat de ontvanger ingeval van fiscaal verzet de tenuitvoerlegging aanhoudt tenzij de gronden van het verzet hiervoor naar zijn mening geen aanleiding geven en de belangen van de Staat worden geschaad door uitstel van de tenuitvoerlegging.

 

Niets derhalve over ambtshalve schorsen in verband met het in rechte doen toetsen van de betreffende aanslag. De ontvanger hoeft blijkens de toelichting op de wijziging louter de executie aan te houden als hij het zelf eens is met de verzetgronden, hetgeen in mijn praktijk nog nooit is voorgekomen. Overigens lijkt aanhouding van de executie in een dergelijk uitzonderlijk geval ook niet nodig, omdat dan meer voor de hand ligt dat de ontvanger de dwangbevelen eenvoudigweg terug neemt. Als hij het met de verzetgronden eens is, ligt voortprocederen in de verzetprocedure immers weinig voor de hand.

 

Nu de belangen van de Staat volgens de ontvanger altijd geschaad worden als hij van mening is dat de tenuitvoerlegging voortgezet dient te worden, kan dit beleidsmatige ‘doekje voor het bloeden’ zelfs die bedoeling niet waarmaken. De belastingschuldige is volledig overgeleverd aan de grillen van de desbetreffende ontvanger, met wie hij doorgaans al wat langer in de clinch zal hebben gelegen alvorens tot executie en het instellen van verzet is overgegaan.

 

Afgezien daarvan: als de ontvanger zich voorheen al niets aan de wettelijk aan het fiscaal verzet verbonden schorsende werking gelegen liet liggen, waarom zou hij zulks dan wel doen ten aanzien van een beleidsvoorschrift dat hem alle ruimte biedt te doen en laten wat hem goeddunkt?

 

Deze blog is eerder gepubliceerd op FiscaalTotaal.nl

 

piek@kanpiek.nl

06 24 91 40 76

 

 

[1] HR 1 mei 2015, 14/00822, ECLI:NL:HR:2015:1188

Please reload