Verval van de schorsende werking van het fiscaal verzet

13 Dec 2017

 

Ferry Piek, fiscaal advocaat

 

De ontvanger heeft de vérgaande bevoegdheid om zelf, zonder enige rechterlijke toetsing van zijn vordering, een executoriale titel uit te vaardigen en ten uitvoer te leggen. Zelfs als de aanslag bestreden wordt bij de fiscale rechter en niet onherroepelijk vast staat. Om hieraan tegenwicht te bieden is in artikel 17 Invorderingswet 1990 de mogelijkheid geopend verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen. Door het instellen van verzet wordt de tenuitvoerlegging geschorst, zodat de ontvanger in afwachting van de toetsing van zijn vordering door de burgerlijke rechter pas op de plaats dient te maken en geen bedrijfsbedreigende maatregelen kan treffen.

 

De laatste jaren is deze wettelijk voorgeschreven rechterlijke marginale toetsing de ontvanger een doorn in het oog gebleken. Zo heeft de staatssecretaris sinds 1 januari 2008 het beleid gevoerd dat de ontvanger zich niets aan de wettelijke schorsende werking gelegen hoeft te laten liggen als hij zelf maar van mening is dat sprake is oneigenlijk gebruik van de verzetmogelijkheid. De slager die zijn eigen vlees keurt is niet gediend van rechterlijke pottenkijkers.

 

De Hoge Raad maakte bij uitspraak van 1 mei 2015 een eind aan deze praktijken: alleen door een rechterlijke beslissing kan de schorsende werking aan het verzet worden ontnomen en zulks louter op grond van misbruik van bevoegdheid.[1] Afgezien van het feit dat dit een welbewuste keuze van de wetgever is geweest, acht de Hoge Raad hierbij mede van belang dat het gaat om tenuitvoerlegging van een executoriale titel die als zodanig niet door de rechter is getoetst. Zie mijn vorige blog over deze uitspraak.

 

De ontvanger toonde zich evenwel een slecht verliezer door vanaf dat moment steeds vaker te proberen de schorsende werking te ‘ontduiken’ middels faillissementsaanvraag, zelfs in geval van betwiste aanslagen. Een faillissementsaanvraag betreft geen tenuitvoerlegging van een dwangbevel en wordt als zodanig derhalve niet door het verzet bestreken. Dit oneigenlijk gebruilk van deze bevoegdheid heeft kennelijk ook niet het gewenste resultaat opgeleverd, want in het Belastingplan 2018 wordt aangekondigd dat de schorsende werking van het fiscaal verzet zal worden geschrapt. Zelfs de summierlijke toetsing door de faillissementsrechter is dus een brug te ver gebleken voor menig ontvanger.

 

De redenen die voor schrapping van de schorsende werking worden gegeven snijden geen hout. Zo wordt gesteld dat met de wijziging is beoogd de Invorderingswet in overeenstemming te brengen met civiel verzet. Daaraan is geen wettelijk schorsende werking verbonden en dient de civiele rechter om schorsing van de tenuitvoerlegging verzocht te worden. Hierbij wordt echter voorbij gezien aan het feit dat civiele executoriale titels uitsluitend door de civiele rechter worden uitgevaardigd. De onderliggende vordering is derhalve, anders dan bij de fiscale vordering van de ontvanger, volledig op rechtmatigheid getoetst alvorens tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan. Als de bedoeling derhalve is het fiscale verzet gelijk te trekken met civiel verzet, dan dient de bevoegdheid van de ontvanger om executorale titels uit te vaardigen beperkt te worden tot uitsluitend onherroepelijk vaststaande volledig door de fiscale rechter op rechtmatigheid getoetste aanslagen.

 

Hierover rept het voorstel evenwel met geen woord. Sterker nog, het voorstel gaat ervan uit dat verzet uitsluitend wordt ingesteld om inning van onherroepelijke aanslagen middels executoriale verkopingen uit te stellen. Hangende fiscaal bezwaar en beroep zou de ontvanger zelfs ambtshalve de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorsen. In de praktijk is hiervan echter geen sprake. Zo wordt de mogelijkheid zekerheid te eisen als voorwaarde voor uitstel van betaling hangende bezwaar en (hoger) beroep zeer regelmatig ingezet als drukmiddel. Wordt de gewenste volledige zekerheid voor de betwiste schuld niet gesteld, dan is het niet ongebruikelijk dat de ontvanger onder het mom van zekerheidsverschaffing door middel van executiemaatregelen de bedrijfsvoering tracht te beëindigen.

 

Een andere reden voor het schrappen van de schorsende werking is het voorkomen van hoge kosten, met name de kosten van de Rijksadvocaat en het annuleren van executoriale verkopen. Deze annuleringskosten vallen echter in het niet bij de kosten van voortzetting van de executoriale verkoop, nu het doorgaans de Rijksbieder is die voor een te hoge prijs met de zaken blijft zitten. Omdat het doel van een executieverkoop veelal bedrijfsbeëindiging is, wordt de Rijksbieder ingeschakeld om te voorkomen dat de zaken voor een appel en een ei worden teruggekocht door of namens de belastingschuldige.

 

De kosten van de Rijksadvocaat kunnen eenvoudigweg voorkomen worden door gebruik te maken van de eigen advocaten die in dienst zijn bij de Belastingdienst; die kosten zijn toch al gemaakt. Aan de verplichte procesvertegenwoordiging in civilbus kan immers ook door advocaten in dienstbetrekking worden voldaan. Overigens worden deze kosten door schrapping van de schorsende werking de belastingschuldige in de maag gesplitst; deze dient alsdan immers in kort geding om schorsing te verzoeken, in plaats van dat de ontvanger om opheffing daarvan dient te verzoeken. Als deze kosten voor de ontvanger al te hoog zijn, dan geldt zulks a fortiori voor de doorsnee belastingschuldige en wordt op deze wijze ernstig afbreuk gedaan aan de rechtsbescherming.

 

De schorsende werking van het verzet is onmisbaar waar het gaat om tenuitvoerlegging van een executoriale titel die als zodanig niet door de rechter is getoetst, zoals de Hoge Raad overwoog. Tegenover de bevoegdheid zelf executoriale titels uit te vaardigen, dient een reële mogelijkheid tot rechterlijke toetsing te staan voordat het onheil reeds is geschied. Zonder schorsende werking wordt de verzetprocedure illusoir, omdat de ontvanger alsdan zijn slag zal hebben geslagen voordat de rechter verzocht kan worden de tenuitvoerlegging te schorsen.

 

Het is, kortom, te hopen dat dit voorstel het niet zal halen.

 

Deze blog is eerder gepubliceerd op FiscaalTotaal.nl

 

piek@kanpiek.nl

06 24 91 40 76

 

 

 

[1] HR 1 mei 2015, 14/00822, ECLI:NL:HR:2015:1188

Please reload