Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 13: 1 juli tot en met 31 augustus 2016

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | september 2016

Wetgeving en beleid

 

 

Digitaal procederen wordt in fiscale zaken vanaf 1 januari 2018 mogelijk. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 21 juli jl. zijn een aantal wetten in het Staatsblad gepubliceerd die voorzien in een gefaseerde inwerkingtreding van het digitaal procederen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken. Partijen worden straks verplicht een procedure langs elektronische weg te voeren en processtukken digitaal bij het gerecht in te dienen. Partijen die digitaal procederen krijgen via een webportaal op de inlogpagina van de rechterlijke instantie toegang tot hun digitale dossier. In dat digitale dossier kunnen partijen de ingediende (proces)stukken en de berichten van de rechter inzien. Van de verplichting digitaal te procederen zijn enkele categorieën van partijen uitgezonderd, waaronder natuurlijke personen, informele verenigingen en buitenlandse rechtspersonen. Deze uitzondering geldt echter niet indien zij worden bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener (Wet tot vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht 21 juli 2016, Staatsblad 2016, nr. 288).

Wetsvoorstel ‘eenvoudig (schuld)witwassen’ aangenomen door de Tweede Kamer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit wetsvoorstel voorziet in een afzonderlijke strafbaarstelling van zogenaamd ‘eenvoudig (schuld)witwassen’. Strafbaar wordt gesteld het enkele verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn van door de dader zelf gepleegde misdrijven. De nieuwe strafbaarstelling kent een lager strafmaximum dan de huidige witwasmisdrijven, omdat door de verdachte nog geen handelingen zijn verricht die daadwerkelijk gericht zijn op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Het wetsvoorstel impliceert dat degene die verdacht wordt van belastingfraude ook steeds voor witwassen kan worden vervolgd, zelfs bij het enkel voorhanden hebben van vermeend zwart geld. Automatische dubbele bestraffing wordt volgens de Memorie van Toelichting voorkomen, doordat bij een gecombineerde vervolging de bewezenverklaring van het eenvoudig (schuld)witwassen niet van invloed zal zijn op de hoogte van de gevangenisstraf. Het grondmisdrijf staat dus centraal. Het is nog niet duidelijk wanneer de wet in werking treedt (Tweede Kamer 30 juni 2016, Wetsvoorstel aanpassing witwaswetgeving, nr. 34294).

Fiscaal procesrecht

 

Indien een aanslagbiljet de naam vermeldt van een andere rechtspersoon dan de belastingschuldige, kan dit aanslagbiljet niet tot een betalingsverplichting voor de belastingschuldige leiden noch voor degene die ten onrechte op het aanslagbiljet is vermeld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onjuiste vermeldingen op een aanslagbiljet leiden als regel niet tot een betalingsverplichting, tenzij de op het aanslagbiljet vermelde gegevens redelijkerwijs geen misverstand kunnen oproepen met betrekking tot de vraag voor wie de aanslag is bestemd. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitzondering niet aan de orde is, als het aanslagbiljet op naam is gesteld van een andere rechtspersoon dan de schuldenaar. In dat geval dient de aanslag te worden vernietigd (HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1903). 

A-G Niessen concludeert dat het verzamelen van ANPR-gegevens door de Belastingdienst in strijd is met het recht op privacy van artikel 8 EVRM en daarom niet mogen worden gebruikt bij het opleggen van aanslagen. 

 

Volgens de A-G vormt het systematisch vastleggen en verwerken van camerabeelden een inbreuk op het recht op privacy. Een zodanige inbreuk is alleen toegestaan als deze een wettelijke grondslag heeft en de gevolgen van de wet in een bepaalde mate voorzienbaar zijn. De A-G overweegt dat het vastleggen van ANPR-gegevens niet kan worden gebaseerd op artikel 11 van de AWR zoals de Belastingdienst voorstaat. Dit artikel bepaalt dat de inspecteur de aanslag vaststelt met de gegevens die hem ter beschikking staan. Aan deze bepaling kan volgens de A-G geen systematische controlebevoegdheid worden ontleend. Tegen die achtergrond concludeert hij dat de inbreuk niet bij wet is voorzien en het vastleggen van ANPR-gegevens door de Belastingdienst derhalve in strijd is met het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy (Conclusie A-G Niessen 16 augustus 2016, nr. 15/05826).  

Volgens A-G Niessen staat de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM er niet aan in de weg dat na een vrijspraak in een strafprocedure de belastingrechter zich een zelfstandig oordeel vormt over het samenhangende feitencomplex. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het nationale fiscale recht kent een eigen procesrecht op grond waarvan de belastingrechter zelfstandig dient te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen, zonder dat hij is gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex. Wel brengt de onschuldpresumptie met zich dat de belastingrechter die oordeelt in de latere procedure zich zal moeten onthouden van uitlatingen en gedragingen die, gelet op de bewoordingen daarvan, twijfel oproepen over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in een strafprocedure werd verweten (Conclusie A-G Niessen 7 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:787

Invorderingsrecht

 

In een verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is de burgerlijke rechter niet bevoegd uitstel van betaling te verlenen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 17 Invorderingswet 1990 kan een belastingschuldige in verzet komen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In een verzetprocedure waarin het hof had overwogen dat het gevorderde invorderingsverbod zich niet voor toepassing leent, beklaagde de betreffende belastingschuldige zich bij de Hoge Raad erover dat het hof een minder vérstrekkende voorziening had kunnen treffen in de vorm van het verlenen van uitstel van betaling. De Hoge Raad oordeelt echter dat het verlenen van uitstel van betaling door de burgerlijke rechter in het kader van een verzetprocedure het stelsel van de Invorderingswet onaanvaardbaar zou doorkruisen. Hij merkt hierbij op dat het verlenen van uitstel van betaling is geregeld in artikel 25 Invorderingswet en dat bij toepassing van die regeling de belastingrechter bevoegd is. Dit oordeel van de Hoge Raad wekt verbazing, omdat tegen de weigering uitstel van betaling te verlenen slechts administratief beroep openstaat bij de directeur en niet in een beroepsmogelijkheid bij de belastingrechter is voorzien (HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1928)

De fiscaal advocaten van KanPiek Fiscale Advocatuur zijn gepokt en gemazeld in de fiscale procesvoering
 
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact