Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 15: 1 november tot en met 31 december 2016

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur |  januari 2017

Wetgeving en beleid

 

 

De staatssecretaris van Financiën verduidelijkt wat in het kader van de Wet DBA als ‘kwaadwillend’ wordt gezien.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vanwege de onrust die is ontstaan als gevolg van de Wet DBA is besloten om de repressieve handhaving van die wet in ieder geval tot 1 januari 2018 op te schorten. Dit betekent dat de opdrachtgever geen correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen loonheffingen of boetes krijgt opgelegd, indien hij een opdrachtnemer heeft ingehuurd en de Belastingdienst achteraf constateert dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Dit beleid geldt echter niet als de opdrachtgever als kwaadwillend wordt aangemerkt. Hiervan is sprake als de opdrachtgever “opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking.” Het gaat volgens de staatssecretaris om gevallen waarin de opdrachtgever opereert in een context van opzet, fraude of zwendel (Brief staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer d.d. 8 december 2016).  

Fiscaal procesrecht

 

Een tegen het einde van de beroepstermijn opgetreden ziekte kan volgens de Hoge Raad grond opleveren een te laat verzonden beroepschrift ontvankelijk te achten. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van een belanghebbende kan immers niet worden verlangd dat hij, met het oog op de mogelijkheid van een dergelijke ziekte, reeds enige tijd voor het verstrijken van de termijn beroep instelt (HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2599).  

Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft niet nader te worden gemotiveerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Volgens de Hoge Raad ligt in een dergelijk verzoek reeds voldoende motivering besloten (HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2499).. 

Hoewel de beroepstermijn van openbare orde is en aldus niet door de inspecteur kan worden gewijzigd, sluit dit niet uit dat een belanghebbende aan een uitlating van de inspecteur het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daartoe is wel vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een inspecteur tweemaal uitspraak op bezwaar doet. Dit is juridisch niet mogelijk, omdat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Als de belanghebbende hierdoor te laat beroep instelt, dan kan in voorkomend geval worden geoordeeld dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2663). 

Een besluit als een aanslag of informatiebeschikking kan rechtsgeldig bekend worden gemaakt door deponering ervan in de brievenbus van de belanghebbende.

 

Indien de belanghebbende de bekenmaking door deponeren in de brievenbus betwist, is het aan de inspecteur aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de belanghebbende in de brievenbus is gedeponeerd (HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2731).

Invorderingsrecht

De juistheid van een beschikking tot aansprakelijkstelling dient te worden beoordeeld naar de ten tijde van de beschikking openstaande belastingschuld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nadien verrichtte betalingen op die belastingschuld door derden zijn op de juistheid van de aansprakelijkstelling niet van invloed. Wel dient de ontvanger vervolgens bij het invorderen van de aansprakelijkheidschuld rekening te houden met de inmiddels verrichte betalingen. Er kan immers nooit meer op een belastingschuld worden afgeboekt dan het openstaande bedrag (HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2603).  

Een aansprakelijkgestelde kan in een procedure over een aansprakelijkstelling de onderliggende aanslag betwisten, ondanks het feit dat de belastingrechter zich al eerder over de rechtmatigheid van die aanslag heeft uitgelaten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aansprakelijkgestelde kan op grond van artikel 49, lid 7, Invorderingswet 1990 feiten en omstandigheden betreffende de aanslag aanvoeren die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. Feiten en omstandigheden waarover de belastingrechter zich wel reeds onherroepelijk heeft uitgelaten, kunnen niet opnieuw door de aansprakelijkgestelde ter discussie worden voorgelegd. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een aansprakelijkstelling zonder vooraankondiging niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2722). 

Tegen de afwijzende beslissing op een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding staat administratief beroep open bij de directeur en is niet in een beroepsmogelijkheid bij de belastingrechter voorzien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anders dan de civiele kamer van de Hoge Raad onlangs per abuis overwoog is dus niet de belastingrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd in dit soort zaken. Met ingang van 1 januari 2019 komt daar verandering in en kunnen geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding aan de belastingrechter worden voorgelegd (HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2735). 

De fiscaal advocaten van KanPiek Fiscale Advocatuur zijn gepokt en gemazeld in de fiscale procesvoering

Fiscaal strafrecht

 

De Hoge Raad wijst een overzichtsarrest over witwassen in verband met de inwerkingtreding van de wet “aanpassing witwaswetgeving” per 1 januari 2017. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad kunnen gelden die door belastingontduiking zijn verkregen worden aangemerkt als gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Deze gelden kunnen daarmee vallen onder de witwasbepalingen, indien aanvullende handelingen zijn verricht die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Belastingontduiking kan op grond van deze rechtspraak dus niet automatisch (ook) als witwassen door de belastingplichtige worden gekwalificeerd. Door de introductie van het zogenaamde ‘eenvoudig (schuld)witwassen’ per 1 januari 2017 is aan dit uitgangspunt verandering gekomen: ook het enkel verwerven of voorhanden hebben van gelden die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf kan als eenvoudig (schuld)witwassen worden gekwalificeerd (HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). 

 
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact