Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 19: 1 juli tot en met 31 augustus 2017

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur |  september 2017

Tax in the City

 

 

Vier maal per jaar verzorgen wij in ons monumentale tuinhuis aan de Keizersgracht praktijkgerichte seminars over de actualiteiten in de fiscale advocatuur. De zomer-editie staat weer voor de deur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vier maal per jaar verzorgen wij in ons monumentale tuinhuis aan de Keizersgracht praktijkgerichte seminars over de actualiteiten in de fiscale advocatuur. De zomer-editie zal in verband met de overweldigende hoeveelheid aanmeldingen over twee dagen verspreid worden. Voor de sessie op 19 september a.s. zijn nog enkele plaatsen beschikbaar. Dit keer stoffen wij de Wwft-verplichtingen af en gaan wij in op de actieve fiscale informatieverplichtingen (o.a. de btw-suppletie). Hoe verhouden die verplichtingen zich tot elkaar?

Dinsdag 19 september 2017 van 16.00 tot 18.00 uur (2 PE-punten NOB en RB) Keizersgracht 62-64 Amsterdam Aanmelden kan via de link. Aanmelden.

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Tax in the City

De verlengde navorderingstermijn geldt niet voor verzwegen inkomsten uit een binnenlandse onderneming die op enig moment op een buitenlandse bankrekening zijn gestort.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 16, lid 4, AWR wordt de navorderingstermijn verlengd van 5 naar 12 jaren ‘indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.’ De strekking van deze verruimde navorderingstermijn voor buitenlandse inkomens- en vermogensbestanddelen is dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn om met een termijn van 5 jaren te kunnen volstaan. A-G IJzerman concludeert daarom dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is op binnenlandse inkomensbestanddelen die binnen het controlebereik van de Nederlandse fiscus vielen, maar die op enig moment naar het buitenland zijn overgebracht (Conclusie A-G IJzerman 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:645).

Wetgeving en beleid

 

 

Staatssecretaris Wiebes is voornemens voorstel tot afschaffing van de inkeerregeling op te nemen in het Belastingplan 2018.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu is de termijn waarbinnen volledige boetematiging plaatsvindt uiterlijk 2 jaren nadat een belastingplichtige een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Onder het voorstel wordt deze termijn waarbinnen volledige boetematiging plaatsvindt met ingang van 1 januari 2018 afgeschaft. Wel zal een vrijwillige inkeer als een boetematigende omstandigheid blijven kwalificeren. Vooralsnog is onduidelijk of de strafrechtelijke pendant van de inkeerregeling, zoals opgenomen in artikel 69, lid 3, AWR, eveneens wordt afgeschaft (Brief staatssecretaris van Financiën van 12 juli 2017). 

Vérgaande invorderingsmaatregelen ter consultatie voorgelegd om verhaalsconstructies te bestrijden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo wordt een aansprakelijkheid van begunstigden voorgesteld die aansluit bij de actio pauliana in het burgerlijk recht. Aansprakelijk is de begunstigde die wist of behoorde te weten dat de onverplichte handeling de Belastingdienst zou benadelen. Die wetenschap wordt verondersteld bij onverplichte handelingen tussen gelieerde (rechts)personen, bijvoorbeeld in het geval van een schenking aan een direct familielid. In dat geval dient de begunstigde te bewijzen dat hij te goeder trouw is. Verder wordt voorgesteld het maximumbedrag te verhogen waarvoor erfgenamen met betrekking tot bepaalde belastingschulden van de erflater aansprakelijk zijn. Thans is een erfgenaam niet verder aansprakelijk dan tot het beloop van zijn erfdeel vermeerderd met het bedrag van hetgeen hem door de erflater is gelegateerd. Voorgesteld wordt dit bedrag te verhogen met hetgeen de erfgenaam van de erflater heeft verkregen door een schenking die kort voor het overlijden van de erflater is gedaan. Daarnaast wordt een alternatieve wijze van bekendmaking van belastingaanslagen voorgesteld bij rechtspersonen die (vermoedelijk) zijn opgehouden te bestaan. In dat geval kan de aanslag bekend worden gemaakt door middel van een publicatie in de Staatscourant. Via die weg kan de belastingplichtige-rechtspersoon eerder in gebreke worden gesteld de belastingschuld te voldoen en kan dus ook sneller tot aansprakelijkstelling van die schuld worden overgegaan. Tot slot wordt een informatieplicht in het leven geroepen voor vermoedelijk aansprakelijken. Die informatieverplichting geldt derhalve ook, anders dan onder het huidige recht, voor personen die formeel (nog) niet aansprakelijk zijn gesteld.

(www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking). 

Fiscaal procesrecht

 

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen wanneer dit is gebaseerd op beleid dat niet met medewerking of goedvinden van het bestuursorgaan is gepubliceerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit leidt uitzondering indien het beleid is bestemd om ook buiten het bestuursorgaan bekendheid te verkrijgen. Als daarvan geen sprake is, kan in voorkomend geval niettemin sprake zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat het beleid niet is toegepast jegens de belanghebbende (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1239).    

Gebreken in de administratie kunnen niet worden geheeld door getuigenverklaringen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de administratie van een anbi geen inzicht geeft in de aard en omvang van de gestelde bestedingen, dan kan dat gebrek niet worden hersteld door getuigenverklaringen. In zo’n geval kan de anbi-status met terugwerkende kracht worden ingetrokken (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1237).

Als een belastingplichtige zich laat bijstaan door een deskundige adviseur, dan behoeft die belastingplichtige zich niet ook zelf in de op hem toepasselijke belastingregelingen te verdiepen ter voorkoming van boetes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hoge Raad herhaalt dat ook ingeval de belastingplichtige zich wél zelf heeft verdiept in de op hem toepasselijke belastingregelingen, dat enkele feit nog niet meebrengt dat hij gehouden is te controleren of de door zijn deskundige adviseur opgemaakte aangiften juist waren (HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1611).

Het staat niet ter vrije bepaling van partijen of de belastingrechter dan wel de burgerlijke rechter van een geschil kennis zal nemen. 

 

 

De Hoge Raad benadrukt dat alleen de belastingrechter bevoegd is om over de juistheid van opgelegde aanslagen te oordelen. Dat geldt ook indien in geschil is of de aan de aanslagen ten grondslag liggende vaststellingsovereenkomsten nietig zijn op grond van het burgerlijk recht. De belastingrechter kan namelijk in het kader van een beroep tegen een fiscaal besluit mede nagaan of een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst rechtsgeldig is. In die toetsing kan ook art. 3:40 BW worden betrokken. Deze mogelijkheid heeft de belastingrechter ook met betrekking tot een beding in een dergelijke overeenkomst waarin wordt afgezien van bezwaar en beroep tegen aanslagen bij de belastingrechter (HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1103).

Fiscaal strafrecht

 

Aan de feitelijk leidinggever kan geen ontnemingsregel worden opgelegd met betrekking tot wederrechtelijk verkregen voordeel uit door de rechtspersoon bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In artikel 74 AWR is bepaald dat er geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat de wetgever van oordeel is dat het eigen instrumentarium van de fiscale wetgeving toereikend is om belastingschulden in te vorderen, ook in de gevallen waarin de schuldenaar opzettelijk heeft nagelaten aan zijn aangifteverplichtingen te voldoen. Tegen die achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat artikel 74 AWR eraan in de weg staat om aan de feitelijk leidinggever een ontnemingsmaatregel op te leggen ter zake van door de rechtspersoon gepleegde fiscale delicten (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1229).

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt een aantal belangrijke beslissingen over bewijsgaring in bestuurlijke boetezaken. 

Zo oordeelt de Afdeling dat het in beginsel toelaatbaar is als een belanghebbende in een later stadium van de procedure verklaringen van getuigen overgelegd die afwijken van de verklaringen die zij eerder ten overstaan van de toezichthouder hebben afgelegd. Het is aan de rechter om die verklaringen feitelijk te waarderen. Ook oordeelt de Afdeling dat de inbreng van nader bewijs door het betrokken bestuursorgaan na afronding van het onderzoek door de toezichthouder niet is uitgesloten, mits de inbreng van dat bewijs niet in strijd komt met de goede procesorde. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als het bestuursorgaan geen goede reden geeft waarom dat bewijs niet eerder in het geding gebracht had kunnen worden. Daarnaast oordeelt de Afdeling dat getuigen niet voorafgaande aan een verhoor in bestuurlijke boetezaken op de hoogte moeten worden gesteld van de achtergronden van hun verhoor en de mogelijke consequenties daarvan. Tot slot overweegt de Afdeling dat het ontbreken van een handtekening op de verklaring van degene die is gehoord met het oog op het opleggen van een boete geen dwingende bewijsrechtelijke consequenties heeft, al laat het ontbreken daarvan wel ruimte voor discussie over de juistheid van die verklaring (Uitspraak grote kamer Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818). 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact