Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 7: 1 juli tot en met 31 augustus 2015

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | september 2015

 

Wetgeving en beleid

 

Nieuwe informatieverplichting voor banken om misbruik van inkomensafhankelijke regelingen tegen te gaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij huur- en kinderopvangtoeslag is het recht op een tegemoetkoming mede afhankelijk van de feitelijk betaalde kosten aan huur of kinderopvang. Om te controleren of een huurder of ouder de opgevoerde kosten ook daadwerkelijk heeft betaald, zijn Nederlandse banken per 1 augustus 2015 verplicht om desgevraagd de integrale bankafschriften van een huurder of ouder aan de Belastingdienst te verstrekken over een periode van maximaal vijf jaren. Daarnaast zijn banken verplicht om desgevraagd aan de Belastingdienst de gegevens te verstrekken van de gemachtigde die kan beschikken over de bankrekening waarop een toeslag is uitbetaald. Hierdoor wordt de Belastingdienst in staat gesteld om een derde aansprakelijk te stellen als toeslagen ten onrechte zijn uitbetaald. In beginsel zal alleen van deze nieuwe informatiebevoegdheid gebruik worden gemaakt als de Belastingdienst de benodigde gegevens niet op andere wijze kan verkrijgen, hetgeen betekent dat zij die gegevens eerst zal moeten opvragen bij de belanghebbende of de betrokken derde (wijziging UB Awir, Stb. 2015, 302).     

 

 

Fiscaal procesrecht

 

Als een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient door de rechter daadwerkelijk te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan rust op hem de bewijslast de feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1774).  

Het verdedigingsbeginsel kan ook worden ingeroepen ingeval van fraude of misbruik door de belastingplichtige of aansprakelijkgestelde, maar de toepassing ervan kan worden beperkt als de individuele omstandigheden van het geval dit rechtvaardigen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voordat een naheffingsaanslag omzetbelasting of een andere unierechtelijke belastingbeschikking wordt vastgesteld, dient de belanghebbende op grond van het verdedigingsbeginsel te worden gehoord. Hierdoor kan deze feiten aanvoeren die de Belastingdienst niet bekend waren, dan wel vergissingen corrigeren, zodat de Belastingdienst een zorgvuldige afweging maakt alvorens zij een bezwarend besluit neemt. Als het verdedigingsbeginsel is geschonden en het besluitvormingsproces tot het opleggen van de beschikking een andere afloop zou kunnen hebben gehad, dan dient die beschikking te worden vernietigd. In navolging van het HvJ van de EU heeft de Hoge Raad recentelijk geoordeeld dat het verdedigingsbeginsel beperkingen kan inhouden en bijvoorbeeld niet is geschonden als de inspecteur erin slaagt aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor versnelde invordering ex artikel 10 Invorderingswet is voldaan én de belanghebbende effectief bezwaar heeft kunnen maken tegen de nadelige gevolgen van de aanslag. Schending van het verdedigingsbeginsel wordt evenwel niet gerechtvaardigd door het algemeen bestaande belang van de ontvanger bij invordering van een belastingschuld (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1809).  

Omkering en verzwaring van de bewijslast werkt door naar de erfgenamen van de belastingplichtige. 

 

 

Omkering en verzwaring van de bewijslast is een processuele sanctie die van rechtswege intreedt en zo nodig ambtshalve door de rechter moet worden toegepast. Bij overlijden van de belastingplichtige vervalt de sanctie niet en gaat deze over op de erfgenamen (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2169). 

De voortvarendheidseis heeft geen betekenis voor de navorderingsbevoegdheid als de navorderingaanslag binnen de reguliere termijn van 5 jaar wordt opgelegd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het HvJ EU heeft eerder geoordeeld dat de inspecteur de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar in buitenlandsituaties niet ten volle kan benutten wanneer het communautaire evenredigheidsbeginsel zich daartegen verzet. Dit betekent dat als de inspecteur eenmaal over aanwijzingen beschikt over in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen, hij de navorderingaanslag met een redelijke voortvarendheid dient voor te bereiden en vast te stellen. Doet de inspecteur dat niet, dan verspeelt hij zijn rechten om met toepassing van de verlengde navorderingstermijn na te vorderen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze voortvarendheidseis niet van toepassing is als de navorderingsaanslag binnen de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar is opgelegd. Een trage aanslagregeling kan wel meebrengen dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht, of dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2163).  

Ook de navorderingstermijn van 12 jaar in buitenlandsituaties wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel voor het indienen van de aangifte.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De bewijslast dat aan de belastingplichtige duidelijk kenbaar uitstel is verleend, rust op de inspecteur. Het daadwerkelijk genoten uitstel is hierbij niet relevant (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2164). 

A-G IJzerman concludeert dat het fiscale procesrecht niet in de mogelijkheid voorziet dat bij het Hof gehoorde getuigen, die aldus geen procespartij zijn, cassatieberoep kunnen instellen tegen een uitspraak van het Hof. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze zaak heeft een anonieme tipgever informatie aan de Belastingdienst verstrekt over (vermeende) bankrekeningen van Nederlandse belastingplichtigen in Luxemburg. Een tweetal betrokken belastingambtenaren hebben als getuigen in een fiscale procedure geweigerd om de identiteit van de tipgever bekend te maken. Zij beroepen zich op hun wettelijke geheimhoudingsplicht (artikel 67 AWR) en het daarvan afgeleide verschoningsrecht. Het Hof Arnhem heeft dit beroep verworpen, maar volgens A-G Ijzerman stond het de getuigen vrij de naam van de tipgever niet te noemen. Hij komt tot die conclusie omdat de inspecteur zich met betrekking tot diverse stukken waarin de naam van de tipgever is opgenomen, heeft beroepen op artikel 8:29 Awb. Dit artikel biedt partijen de mogelijkheid om met een beroep op gewichtige redenen het overleggen van stukken te weigeren. Als de rechter een beroep op gewichtige redenen afwijst, kan een partij er alsnog voor kiezen om bepaalde gegevens niet te overleggen, hetgeen de inspecteur heeft gedaan. De rechter kan daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen, waaronder het vernietigen van de aanslag. Doordat het Hof van de getuigen heeft verlangd om niettemin de naam van de tipgever prijs te geven, heeft het Hof deze wettelijke systematiek ten onrechte doorkruist (Conclusie A-G IJzerman 24 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1477).

Invorderingsrecht

Het aanvragen van het faillissement van een vennootschap door een bestuurder levert op zichzelf geen kennelijk onbehoorlijk bestuur op. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Indien belastingschulden van een vennootschap onbetaald blijven als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur, dan kan de bestuurder daarvoor op de voet van artikel 36 Invorderingswet aansprakelijk worden gesteld. Het onbehoorlijk bestuur is “kennelijk” als geen redelijk denkend en handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou handelen. Van onbehoorlijk bestuur is sprake als de bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat door zijn handelen te weinig belasting zou worden betaald. Die vereiste (geobjectiveerde) bewustheid dient te worden beantwoord naar het moment waarop de gewraakte handelingen door de bestuurder zijn verricht (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2161).  

Volgens A-G IJzerman geldt de aansprakelijkheidsbepaling van artikel 40 Invorderingswet 1990 alleen voor natuurlijke personen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 40 Invorderingswet 1990 is de aandeelhouder van een vennootschap waarin zich stille en fiscale reserves bevinden onder omstandigheden aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van die vennootschap na vervreemding van de aandelen. De A-G is van oordeel dat de wettekst onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat naast natuurlijke personen ook rechtspersonen op de voet van deze bepaling aansprakelijk kunnen worden gesteld. De andersluidende opvatting in de Leidraad Invordering 2008 mist daarom een wettelijke grondslag (Conclusie A-G IJzerman 14 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1378).    

Douanerecht

 

Een uitnodiging van betaling behoeft niet te worden vernietigd als de douaneautoriteiten geen onderzoek hebben gedaan naar de mogelijkheid om ook andere personen dan de aangever als douaneschuldenaar aan te merken.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Degene die op eigen naam en voor eigen rekening een douaneaangifte heeft gedaan wordt als douaneschuldenaar aangemerkt, zelfs als hij beschikt over een volmacht om namens de opdrachtgever de betreffende douaneaangifte te doen. Als de opdrachtgever bewust onjuiste gegevens voor de aangifte heeft verstrekt, dan kan ook deze als douaneschuldenaar worden aangesproken. Een dergelijke omstandigheid brengt evenwel niet mee dat de uitnodiging van betaling van de aangever ongedaan moet worden gemaakt, als de inspecteur heeft nagelaten de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor dezelfde douaneschuld (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2165). 

Fiscaal strafrecht

 

Het EHRM laat de Nederlandse praktijk met betrekking tot het afdwingen van informatieverstrekking aan de Belastingdienst (vooralsnog) ongemoeid. De kernvraag wanneer informatie ‘wilsafhankelijk’ is en dus niet voor strafrechtelijke doeleinden mag worden gebruikt, blijft onduidelijk.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het EHRM heeft op 9 juli 2015 geoordeeld dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie niet verhindert dat de Belastingdienst voor de belastingheffing informatie afdwingt die niet zonder medewerking van de betrokkene kan worden verkregen. Daarbij hecht het EHRM eraan dat de Hoge Raad met betrekking tot die informatie in waarborgen heeft voorzien, namelijk door aan de vordering tot afgifte de restrictie te verbinden dat de wilsafhankelijke informatie niet voor strafrechtelijke doeleinden mag worden gebruikt. Het lijkt er derhalve op dat het EHRM het criterium om te bepalen of informatie wilsafhankelijk is, ruimer uitlegt dan de Hoge Raad heeft gedaan in zijn recente arresten. In die arresten heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat aan de aard en mate van dwang geen betekenis toekomt. Het gaat om de vraag of de informatie 'in fysieke zin'  bestaat onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Deze benadering heeft het EHRM niet in zijn oordeel betrokken, waardoor onduidelijk blijft wanneer informatie wilsafhankelijk is (EHRM 9 juli 2015, nr. 784/14, Van Weerelt tegen NL).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact