top of page


Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | oktober 2025
Nummer 62: 1 juli 2025 tot en met 30 september 2025
Wetgeving en beleid
Nieuwe Europese anti-witwasregels vervangen de Wwft in 2027.
Vanaf 10 juli 2027 treedt de Anti-witwasverordening in werking. Voor een groot deel zal deze nieuwe verordening de Wwft vervangen. Een aantal zaken zullen hierbij worden gewijzigd. Zo zal er eerder sprake zijn van een UBO, namelijk al bij 25% van de aandelen, stemrechten of een ander eigendomsbelang in de vennootschap. Nu is dat in geval van meer dan 25%. Een belangrijke wijziging is verder dat sanctie-screening op basis van de verordening onderdeel wordt van het cliëntenonderzoek. Het gaat om sancties die de Europese Raad heeft vastgesteld. Daarnaast wordt in het kader van de meldingsplicht de overstap gemaakt naar het melden van ‘verdachte transacties’ in plaats van ‘ongebruikelijke transacties’ (Verordening 2024/6240).
Fiscaal procesrecht
Een verzoek om teruggaaf omzetbelasting kan alleen bij aangifte worden ingediend.
Als de belastingplichtige niet middels aangifte maar bij brief om teruggaaf van omzetbelasting verzoekt, dan kan een hierop betrekking hebbende beslissing van de inspecteur niet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Daarom staat tegen zo’n beslissing geen beroep open bij de bestuursrechter en evenmin bezwaar (HR 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1258).
Hoge Raad oordeelt dat APV-regeling op regelniveau niet in strijd is met het Europese eigendomsrecht.
Met de APV-regeling heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat vermogen als gevolg van de inbreng in een stichting of trust (‘APV) bij geen enkele persoon in de belastingheffing wordt betrokken en als gevolg daarvan fiscaal zou gaan ’zweven’. Met de APV-regeling wordt dit vermogen, kort gezegd, fiscaal toegerekend aan de inbrenger en na diens overlijden zijn erfgenamen, waardoor een heffingsvacuüm wordt voorkomen. In de zaak die aan de Hoge Raad voorlag betoogde de belanghebbende dat de APV-regeling zich niet verdraagt met het eigendomsrecht, omdat hij in de onderhavige jaren geen enkel financieel voordeel heeft genoten maar wel uit andere middelen belasting moet betalen, terwijl een begunstigde die wel voordeel krijgt uit een APV de verschuldigde belasting uit dat voordeel kan voldoen. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze relatieve ongelijkheid als gevolg van de werking van de APV-regeling niet leidt tot een door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsrecht) verboden discriminatie, omdat de wetgever op regelniveau een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Een inbreuk op dit artikel zou zich dan ook alleen kunnen voordoen indien de belanghebbende als gevolg van de APV-regeling wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Daarvan was evenwel geen sprake (HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1389).



Invorderingsrecht
A-G Kokott concludeert dat er geen hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk is voor de btw-schuld van een ander zonder fraude of misbruik.
Volgens de A-G staat artikel 205 van de btw-richtlijn weliswaar toe dat een derde hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de niet-betaalde btw-schuld van een ander, maar dit kan alleen binnen bepaalde grenzen. De A-G overweegt in dat kader dat artikel 205 btw-richtlijn alleen een accessoire aansprakelijkheid toelaat zolang er nog een bestaande belastingschuld en een bestaande belastingplichtige zijn. Afnemers kunnen aansprakelijk worden gesteld bij fraude of misbruik, maar niet enkel omdat ze wisten dat btw niet betaald zou worden. De enkele niet-betaling van de aangegeven belasting vormt geen btw-fraude. Voor zover de afnemer geen misbruik kan worden verweten, kan het enkele feit dat hij wist of had moeten weten dat zijn medecontractant de belasting niet zou betalen, derhalve niet tot zijn aansprakelijkheid leiden aldus de A-G (conclusie 4 september 2025, C-121/24).
Fiscaal strafrecht
Bewijsvermoedens zijn toegestaan bij het opleggen van een vergrijpboete.
De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur de bestanddelen van het beboetbare feit overtuigend moet aantonen. De vereiste feiten en omstandigheden moeten buiten redelijke twijfel vaststaan. Deze zware bewijslast sluit niet uit dat voor de bewezenverklaring van feiten en omstandigheden gebruik wordt gemaakt van niet-ontzenuwde bewijsvermoedens die zijn gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden. Deze vaststaande feiten en omstandigheden moeten ook buiten redelijke twijfel vaststaan. Verder is vereist dat het vermoeden uit deze feiten en omstandigheden voortvloeit en het niet anders kan zijn dan dat het vermoeden juist is. Dit behoudens contra-indicaties die het vermoeden ontzenuwen. Bewijsvermoedens van opzet of grove schuld kunnen onder meer zijn gebaseerd op gedragingen van de belastingplichtige die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het beboetbare feit dat het niet anders kan dan dat de belastingplichtige het heeft gewild (HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063).
Vergrijpboete bij navordering volgens A-G ook mogelijk zonder voorafgaande uitnodiging tot het doen van aangifte.
A-G Pauwels concludeert op grond van de letterlijke tekst van artikel 67e AWR dat schending van de aangifteplicht geen bestanddeel vormt van de vergrijpboete bij navordering. Uit de wetsgeschiedenis volgt evenmin dat er een uitnodigingseis geldt voor de bevoegdheid tot het opleggen van een boete op grond van 67e lid 1 AWR. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat als de bevoegdheid tot navordering bestaat, er ook een vergrijpboete op grond van 67e lid 1 AWR kan worden opgelegd, mits er sprake is van opzet of grove schuld (conclusie 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:697).



bottom of page






