Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 20: 1 september  tot en met 31 oktober 2017

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur |  november 2017

Tax in the City

 

 

Vier maal per jaar verzorgen wij in ons monumentale tuinhuis aan de Keizersgracht praktijkgerichte seminars over de actualiteiten in de fiscale advocatuur. De herfst-editie staat weer voor de deur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze herfst-editie bespreken wij de actuele ontwikkelingen op het gebied van fiscale boekenonderzoeken en de hiermee samenhangende invorderingsperikelen. De nadruk ligt op de praktijk waarin lopende controleonderzoeken steeds vaker gepaard gaan met (dreigende) dwanginvordering om de bevindingen van de inspecteur veilig te stellen. Die ontwikkeling vergt een actieve rol van de adviseur in het voortraject. Niet alleen om de feiten op de meest optimale wijze te presenteren en het risico op omkering en verzwaring van bewijslast te beperken, maar ook om te voorkomen dat de ontvanger bedrijfsbedreigende maatregelen treft. In deze cursus gaan wij daarom in op de ‘do’s en dont’s’ bij een controleonderzoek van de Belastingdienst. Overigens voldoet de cursus aan het PE-reglement van de NOB en RB. Na afloop ontvangt u een bewijs van deelname. Aan de cursus zijn geen kosten verbonden. Aanmelden kan via de link: aanmelden.

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Tax in the City Autumn Session

Belangrijkste wijzigingen formeel belastingrecht Belastingplan 2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afschaffing inkeerregeling

 

Zoals eerder aangekondigd, wordt voorgesteld de inkeerregeling af te schaffen. De omstandigheid dat een belastingplichtige vrijwillig verbetert blijft wel reden om de boete te matigen. De afschaffing van de inkeerregeling werkt door naar het strafrecht. Dit betekent dat een vrijwillige verbetering na 31 december 2017 strafvervolging niet langer uitsluit. Aangiften die voor 1 januari 2018 zijn gedaan of hadden moeten zijn gedaan vallen echter nog onder de oude regeling.

 

Geen schorsende werking fiscaal verzet meer.

 

Daarnaast wordt voorgesteld om de schorsende werking van het fiscaal verzet af te schaffen. Een verzetdagvaarding schorst dus niet langer automatisch de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Dit betekent dat de belastingschuldige de rechter in kort geding om opschorting van het dwangbevel zal moeten vragen ingeval hij een executieverkoop wil voorkomen. Dagvaardingen die voor 1 januari 2018 zijn uitgebracht vallen nog onder de oude regeling.

Uitbreiding mededelingsplicht bij bodemzaken.

 

Verder wordt de mededelingsplicht bodemzaken uitgebreid. Nu moeten pandhouders en andere derden die handelingen verrichten waardoor een bodemzaak niet langer als bodemzaak kwalificeert dit aan de belastingdienst mededelen. Dit geldt bijvoorbeeld ingeval een pandhouder voornemens is om kantoormeubilair van de belastingschuldige te executeren. Die mededelingsplicht wordt nu uitgebreid naar de belastingschuldige zelf.

 

Nieuwe btw-aansprakelijkheid voor hypotheek- en pandhouders.

Als een belastingplichtige bij een gedwongen verkoop van een zaak de btw niet betaald, dan kan de ontvanger zich na 1 januari 2018 wenden tot de hypotheek- of pandhouder of executant. Indien die zich hebben verhaald op het door de koper betaalde bedrag kunnen zij aansprakelijk worden gesteld voor de omzetbelasting die ter zake van de levering van die zaak verschuldigd is

Wetgeving en beleid

 

 

Wetsvoorstel implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn ingediend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vierde anti-witwasrichtlijn bestendigt de twee kernverplichtingen, te weten de verplichting een cliëntenonderzoek te verrichten op basis van een risico gebaseerde  benadering en de verplichting ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU. Nieuw is de verplichting voor instellingen om de risico’s op betrokkenheid bij witwassen en financieren van terrorisme te beoordelen, intern vast te leggen en op verzoek aan de toezichthoudende autoriteit te verstrekken. De instelling dient deze risicobeoordeling ten grondslag te leggen aan de ontwikkeling van haar eigen beleid om de Wwft volledig na te leven. Verder wordt de definitie van UBO aangepast en wordt er niet langer onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse politiek prominente personen. Een instelling zal daardoor in meer gevallen verscherpt cliëntenonderzoek moeten verrichten. Daarnaast wordt aan de toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid toegekend om een uitgevaardigde waarschuwing openbaar te maken als een instelling een overtreding van de Wwft begaat. Ook een boete vanwege overtreding van de Wwft kan onder de vierde anti-witwasrichtlijn openbaar worden gemaakt, zelfs nog voordat deze onherroepelijk vaststaat. De termijn tot implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn eindigde op 26 juni 2017. De Minister van Financiën streeft er daarom naar de implementatiewet zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Accountants en belastingadviseurs doen er goed aan zich tijdig te (laten) informeren over de gevolgen van de vierde anti-witwasrichtlijn en de wijze waarop zij een risicobeoordeling kunnen vastleggen (Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, 12 oktober 2017)

Fiscaal procesrecht

 

A-G Bobek bij het HvJ EU concludeert dat het verdedigingsbeginsel niet mede brengt dat de belanghebbende een volledig inzagerecht heeft in het dossier van de belastingautoriteiten. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het verdedigingsbeginsel beoogt met name de belanghebbende in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat een bezwarend Unierechtelijk besluit niet op onjuiste gronden wordt genomen. Teneinde die doelstelling te bereiken is het volgens de A-G voldoende dat het inzagerecht beperkt blijft tot die documenten die de belastingautoriteit aan het (voorgenomen) besluit ten grondslag heeft gelegd (HvJ EU 7 september 2017, ECLI:EU:C:2017:650).    

De vennoot van een VOF kan niet op eigen naam bezwaar maken tegen een aan de VOF opgelegde naheffingsaanslag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een dergelijk bezwaar is niet-ontvankelijk. Wel kan die vennoot de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag ter discussie stellen indien de ontvanger hem bij voor bezwaar vatbare beschikking aansprakelijk stelt voor de belastingschulden van de VOF (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2348).

Een bezwaar per e-mail kan niet niet-ontvankelijk worden verklaard indien de belanghebbende geen gelegenheid is geboden dit verzuim te herstellen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de inspecteur in een dergelijk geval geen gelegenheid tot herstel biedt en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, dan kan die beslissing worden aangemerkt als een schriftelijk weigering om te beslissen op het ingediende bezwaarschrift. Daartegen staat op grond van artikel 6:2, sub a, Awb beroep open (HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2548).

De voortvarendheidseis kan de inspecteur niet worden tegengeworpen als de belanghebbende heeft toegezegd volledige informatie te zullen verstrekken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de inspecteur gebruik maakt van de verlengde navorderingstermijn, dan dient hij de navorderingsaanslagen voortvarend op te leggen. Daarvan is in EU-situaties geen sprake indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan 6 maanden. Als de inspecteur echter wacht op door de belanghebbende toegezegde informatie, dan kan de inspecteur niet worden verweten dat hij te lang heeft stilgezeten, ook niet als meer dan 6 maanden zijn verstreken (HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2599)

De informatiebevoegdheid van de inspecteur ex artikel 47 AWR ziet uitsluitend op het verzamelen van feitenmateriaal ter zake waarvan de bewijslast op de inspecteur rust.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vragen van de inspecteur die gericht zijn op een juridische kwalificatie of wettelijke faciliteit behoeven dus niet door de belanghebbende beantwoord te worden (HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2654).

Invorderingsrecht

A-G Wattel concludeert dat invorderingsrente bij beschikking moet worden geformaliseerd en dat een invorderingsrenteschuld zonder formalisering als een niet-afdwingbare (natuurlijke) verbintenis moet worden aangemerkt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Betaling van een niet-geformaliseerde invorderingsrenteschuld kan door de belastingschuldige worden teruggevorderd. Volgens de A-G is er echter al snel sprake van een beschikking die de verschuldigdheid van invorderingsrente vaststelt; ook de (standaard)brief van de ontvanger die uitlegt op welke wijze de betaling van een belastingschuldige is verwerkt en welk deel daarvan als invorderingsrente is afgeboekt, kan volgens de A-G als een voor bezwaar vatbare beschikking ex artikel 30, lid 1, IW worden aangemerkt (Conclusie A-G Wattel 15 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:908).

De Hoge Raad verduidelijkt verrekeningsbevoegdheid ontvanger in faillissement. 

 

 

Op grond van artikel 24, lid 2, IW is de ontvanger bevoegd belastingteruggaven aan een fiscale-eenheidmaatschappij te verrekenen met andere belastingschulden van de fiscale-eenheiddochters, voor zover de belasting betrekking heeft op een tijdvak waarin de fiscale-eenheidmaatschappij deel uitmaakte van de fiscale eenheid. De Hoge Raad oordeelt dat die ruime verrekeningsbevoegdheid onverlet laat dat de ontvanger bij faillissement artikel 53 van de faillissementswet moet naleven. Dit betekent dat belastingteruggaven en belastingschulden van failliete fiscale-eenheidmaatschappijen alleen kunnen worden verrekend indien beide zijn ontstaan voor hun faillietverklaring (HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2627).

Fiscaal strafrecht

 

De strafkamer van de Hoge Raad bevestigt dat het pleitbaar standpunt ook in het fiscale strafrecht objectief moet worden getoetst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit betekent dat ter beoordeling van de vraag of een belastingplichtige opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan ex artikel 69, lid 2, AWR het niet van belang is of die belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg daadwerkelijk voor ogen had. Ook een achteraf bedachte uitleg van een in de aangifte ingenomen standpunt kan derhalve in voorkomend geval als pleitbaar worden aangemerkt, bijvoorbeeld op grond van de wettekst, de parlementaire geschiedenis en in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag als zodanig niet een bewijsbestemming heeft in de zin van artikel 225 Sr. Een dergelijk bezwaarschrift kan dus niet worden aangemerkt als valsheid in geschrifte (HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542).

Aan een ontbonden rechtspersoon kan met betrekking tot beboetbare feiten die op of na 1 juli 2009 zijn begaan geen bestuurlijke boete worden opgelegd als de ontbinding van die rechtspersoon voor derden kenbaar was. 

Overeenkomstig het strafrecht is het sinds 1 juli 2009 mogelijk om boetes op te leggen aan de feitelijk leidinggever en opdrachtgever. Tegen die achtergrond sluit de belastingkamer van de Hoge Raad aan bij het strafrecht en maakt hij onderscheid tussen aangiften die vóór 1 juli 2009 zijn gedaan of hadden moeten worden gedaan en aangiften die hierna zijn gedaan of hadden moeten worden gedaan. Ten aanzien van de eerste categorie aangiften blijft beboeting van de ontbonden rechtspersoon mogelijk. Met betrekking tot de tweede categorie aangiften is beboeting alleen mogelijk, kort gezegd, als de boete heeft plaatsgevonden voordat de ontbinding van die rechtspersoon voor derden kenbaar was, bijvoorbeeld door publicatie in het handelsregister (HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact