Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 14: 1 september tot en met 31 oktober 2016

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | november 2016

Wetgeving en beleid

 

 

Wetsvoorstel uitwisseling grensoverschrijdende rulings ingediend bij Tweede Kamer. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de strijd tegen schadelijke belastingconcurrentie worden de Belastingdiensten van de EU-lidstaten vanaf 1 januari 2017 verplicht om automatisch informatie over grensoverschrijdende rulings en verrekenprijsafspraken met elkaar uit te wisselen. De uitwisseling zal plaatsvinden door middel van een uniform standaardformulier dat deel gaat uitmaken van de aanvraag van een ruling. Gegevens over rulings en verrekenprijsafspraken die zuiver nationaal zijn of louter betrekking hebben op natuurlijke personen behoeven niet te worden uitgewisseld. Daarnaast mag Nederland geen informatie verstrekken wanneer daarmee een commercieel of industrieel geheim wordt onthuld. De automatische uitwisseling van informatie wordt niet vooraf medegedeeld aan de belastingplichtigen en is niet voor bezwaar vatbaar (Kamerstukken II 2015/2016, 34 527, nr. 2 en 3.

Geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding van belastingschulden kunnen vanaf 1 januari 2019 worden voorgelegd aan de belastingrechter.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op dit moment kan een afwijzende beschikking van de ontvanger, naar aanleiding van een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, worden voorgelegd aan de directeur. In de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 is voorgesteld om deze beschikkingen voor bezwaar vatbaar te maken. Hierdoor kan de rechtmatigheid van een afwijzende uitstel- en kwijtscheldingsbeschikking door de belastingrechter worden getoetst. Nog niet duidelijk is op welke wijze de ontvanger moet handelen ingeval de belastingschuldige bezwaar en beroep heeft aangetekend tegen een afwijzende uitstel- en kwijtscheldingsbeschikking. Daarnaast is de mogelijkheid tot een zogenaamde ‘maatwerkregeling’ voorgesteld. Op basis van betalingscapaciteit kan een betalingsregeling van maximaal 24 maanden met de ontvanger worden afgesproken, waarna een eventuele restschuld wordt kwijtgescholden. Deze betalingsregeling geldt alleen voor particulieren indien het ontstaan van de belastingschuld niet aan opzet of grove schuld is te wijten (Fiscale vereenvoudigingswet 2017).

Fiscaal procesrecht

 

Aanbod getuigenbewijs mag volgens A-G IJzerman niet te lichtvaardig door de rechter worden gepasseerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De A-G benadrukt dat het buiten iedere twijfel dient te zijn dat het horen van getuigen overbodig is. Het passeren van een getuigenaanbod mag niet op basis van een prognose over hetgeen een getuige zou kunnen verklaren. Wel dient een getuigenaanbod voldoende specifiek te zijn. Dit betekent echter niet dat een belanghebbende de zakelijke inhoud van een door de getuige af te leggen verklaring moet aangeven. Als de rechter een bewijsaanbod passeert, dan zal hij duidelijk moeten motiveren waarom de getuigenverklaring redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (Conclusie A-G IJzerman 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:954). 

Verletkosten voor het bijwonen van een door de rechter geïnitieerde taxatie kunnen als proceskosten worden vergoed. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verletkosten zijn de kosten van tijdverzuim voor het bijwonen van bijvoorbeeld een zitting. Deze kosten komen als proceskosten voor vergoeding in aanmerking als de belastingplichtige in een fiscale procedure in het gelijk wordt gesteld. De Hoge Raad maakt duidelijk dat de kosten van tijdverzuim die een belastingplichtige redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met onderzoekshandelingen eveneens voor vergoeding in aanmerking komen. Voorwaarde hiervoor is dat de onderzoekshandelingen plaatsvinden op initiatief van de rechter, of nadat partijen daartoe uitdrukkelijk door de rechter in de gelegenheid zijn gesteld (HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2082). 

Volgens de Nationale Ombudsman kan een belanghebbende ook na vijf jaren aanspraak maken op ambtshalve vermindering. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op een ambtshalve vermindering vervalt voor aanslagbelastingen door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Er kunnen zich echter bijzonder situaties voordoen waarin de belastingambtenaar moet afwijken van deze regel, bijvoorbeeld als deze verplicht is om op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ambtshalve vermindering of teruggaaf te verlenen. Een voorbeeld hiervan is een toezegging zijdens inspecteur om een aanslag te verminderen als de belastingplichtige in een procedure over een ander jaar in het gelijk wordt gesteld (NO 27 september 2016, nr. 2016/087). 

Werknemer kan bezwaar maken tegen verhaalbare naheffingsaanslag loonbelasting werkgever. 

 

Indien geen sprake is van een zogenaamd eindheffingsbestanddeel kan de werkgever de nageheven loonbelasting verhalen op de werknemer.  

Het verhaal door de inhoudingsplichtige werkgever van de nageheven loonbelasting strekt er volgens de Hoge Raad toe dat de werknemer deze belasting alsnog als belastingplichtige draagt, op gelijke wijze als in gevallen waarin die belasting in overeenstemming met de wet is ingehouden. Hof Arnhem heeft tegen die achtergrond geoordeeld dat een werknemer het recht heeft bezwaar te maken tegen een verhaalbare naheffingsaanslag loonbelasting van de werkgever, omdat voor die werknemer sprake is van een eigen, uit de belastingwet voortvloeiende verplichting. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met deze beslissing van het hof en heeft daarom zijn beroepschrift in cassatie ingetrokken (Intrekking beroepschrift in cassatie 13 oktober 2016 n.a.v. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6270).  

Ook redelijkheid omkering en verzwaring bewijslast kan in procedure tegen informatiebeschikking door de belastingrechter worden getoetst. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit betekent dat een informatiebeschikking ten onrechte is vastgesteld, als de geconstateerde gebreken onvoldoende ernstig zijn om de zware sanctie van de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebreken in de administratie die niet van wezenlijk belang zijn voor een goede controle van de omzet van een onderneming (HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2299). 

Invorderingsrecht

 

Bij fraude en verhaalsfrustratie is doorbraak van aansprakelijkheid op grond van vereenzelviging alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de praktijk stelt de ontvanger zich met enige regelmaat op het standpunt dat verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd door het oneigenlijk gebruik van rechtspersonen. Met een beroep op doorbraak van aansprakelijkheid wordt het identiteitsverschil dat tussen (rechts)personen bestaat dan weggedacht, waardoor de ene rechtspersoon aansprakelijk wordt gesteld voor de belastingschuld van een andere (rechts)persoon. De Hoge Raad hanteert bij een beroep op vereenzelviging echter een strikte maatstaf. Alleen indien duidelijk is dat degene die zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik heeft beoogd en maakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, kan een beroep op vereenzelviging worden gehonoreerd. De rechtspraak van de Hoge Raad leert dat hier niet snel sprake van is. Wel kan onrechtmatig handelen van een persoon met zeggenschap eenvoudig als eigen onrechtmatig handelen aan een rechtspersoon worden toegerekend. Via een beroep op onrechtmatige daad kan dan een verplichting tot schadevergoeding voor de rechtspersoon bestaan (HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285). 

Fiscaal strafrecht

 

A-G Wattel concludeert dat het pleitbare standpunt objectief moet worden benaderd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een pleitbaar standpunt sluit opzet en grove schuld uit. Van pleitbaarheid is sprake als voor het ingenomen standpunt, ook al wordt dit ten slotte onjuist bevonden, zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene door het innemen ervan dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Volgens de A-G is in beginsel niet beslissend met welke ideeën of argumenten de belastingplichtige zijn aangifte indiende. Een andere onderbouwing van een ingediende aangifte is ook op een later moment mogelijk als die onderbouwing ten tijde van de aangifte redelijkerwijs had kunnen worden ingenomen. Van pleitbaarheid is echter geen sprake als het gepresenteerde, mogelijk wel pleitbare standpunt irrelevant is, omdat in werkelijkheid een ander, niet-pleitbaar standpunt is ingenomen. In zoverre dient er ook een subjectieve toets te worden aangelegd (Conclusie A-G Wattel 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897). 

Op grond van het legaliteitsbeginsel kan geen beroepsverbod worden opgelegd als de overtreden strafbepaling daarin niet expliciet voorziet ten tijde van de tenlastegelegde feiten. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De strafrechter heeft de mogelijkheid om als bijkomende straf een beroepsverbod op te leggen als een adviseur in de uitoefening van zijn beroep strafbare feiten heeft gepleegd. Deze straf kan echter pas worden uitgesproken als de overtreden strafbepaling daarin voorziet. Met ingang van 1 april 2010 is het aantal delicten waarvoor een beroepsverbod kan worden opgelegd uitgebreid. Ook bij belastingfraude en valsheid in geschrifte kan een adviseur in ernstige gevallen worden ontzet uit zijn beroep. In een dergelijk geval dienen de verweten feiten wel ná 1 april 2010 te zijn gepleegd (HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2023). 

De verplichting een ongebruikelijke transactie te melden bestaat niet slechts bij concrete aanwijzingen van witwassen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 16 van de Wwft dient een ongebruikelijke transactie binnen 2 weken te worden gemeld. Hiervan is sprake als er aanleiding is te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme. Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven is een vermoeden daarvoor reeds voldoende (CBB 19 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:305). 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact