Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 8: 1 september tot en met 31 oktober 2015

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | november 2015

 

Wijzigingen formeel belastingrecht Belastingplan 2016

 

Het stellen van prejudiciële vragen wordt mogelijk in fiscale procedures.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rechtbanken en hoven kunnen sinds 1 juli 2012 vragen stellen aan de civiele kamer van de Hoge Raad over de uitleg van een rechtsregel, de zogenaamde ‘prejudiciële procedure’. Deze mogelijkheid wordt met ingang van 2016 eveneens opengesteld voor in het belastingrecht levende rechtsvragen. Rechtbanken en Hoven kunnen ambtshalve of op verzoek van een partij een rechtsvraag aan de Hoge Raad voorleggen, als een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen. Het dient hierbij te gaan om een rechtsvraag die (potentieel) in een groot aantal vergelijkbare gevallen spelen. Door de fiscale prejudiciële procedure kan sneller duidelijkheid worden verkregen over de beantwoording van een rechtsvraag.

 

De massaalbezwaarprocedure gaat ook gelden voor bezwaren die meer omvatten dan de rechtsvraag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kern van de massaalbezwaarprocedure is dat bezwaarschriften met eenzelfde geschilpunt, dat wil zeggen de beantwoording van een breder levende rechtsvraag, collectief worden afgedaan. Net als onder de huidige regeling zal de massaalbezwaarprocedure in de nieuwe regeling aanvangen met een aanwijzing van de minister van Financiën. De aanwijzing massaal bezwaar geldt voor alle bezwaren voor zover deze de rechtsvraag betreffen. Anders dan onder de huidige regeling worden bezwaarschriften met meerdere geschilpunten gesplitst. Voor zover het bezwaar de rechtsvraag betreft, valt het verplicht onder de massaalbezwaarprocedure en wordt het collectief afgedaan. Over andere, niet gerelateerde geschilpunten beslist de inspecteur bij individuele uitspraak. De huidige regeling bepaalt verder dat als massaal aangewezen bezwaren steeds worden geacht ontvankelijk te zijn, ook als het bezwaar niet tijdig is ingediend. Deze gunstigere behandeling is onder de nieuwe regeling niet langer aan de orde. Als voorwaarde om mee te doen aan de masaalbezwaarprocedure dient het bezwaar tijdig te zijn ingediend.  

Lijfsdwang straks mogelijk bij inning van belastingschulden via civiele weg. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ontvanger kan lijfsdwang thans ‘slechts’ toepassen ten behoeve van de invordering van belastingschulden. De Belastingdienst heeft echter ook de bevoegdheid om betaling van belastingschulden af te dwingen door, onder meer, een vordering tot schadevergoeding in te stellen wegens onrechtmatige daad. Voor dergelijke civiele vorderingen wordt de bevoegdheid tot lijfsdwang van de ontvanger uitgebreid. Daarnaast wordt expliciet geregeld dat toepassing van lijfsdwang niet alleen mogelijk is bij de formele bestuurder, maar ook ten aanzien van de feitelijke beleidsbepaler van een lichaam die zijn belastingschuld niet voldoet. De enkele omstandigheid dat iemand het beleid van de onderneming mede heeft bepaald is niet voldoende om als feitelijke beleidsbepaler te worden gekwalificeerd. Net als onder de huidige regeling is toepassing van lijfsdwang niet mogelijk als het niet voldoen van de belastingschuld niet aan de belastingschuldige of bestuurder is te wijten.  

Verkoper aandelen beleggingsvennootschap eerder aansprakelijk voor belastingschulden. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De verkopend aandeelhouder van een vennootschap waarin zich stille en fiscale reserves bevinden is onder omstandigheden aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van die vennootschap. Aansprakelijkheid komt in zicht als de ontvanger aannemelijk maakt dat het vermogen van de vennootschap is verminderd anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsuitoefening. De verkopend aandeelhouder kan zich disculperen van aansprakelijkheid als hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de verkochte vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. Deze disculpatiemogelijkheid wordt met terugwerkende kracht tot en met 15 september 2015 ingeperkt. Disculpatie is niet langer mogelijk bij aansprakelijkheid voor vennootschapsbelastingschulden ten aanzien van een herinvesteringsreserve of een (stille) reserve die samenhangt met activa die binnen zes maanden na de aandelenoverdracht worden vervreemd. Vrijwaring van aansprakelijkheid kan voor die schulden alleen nog worden bereikt door het vragen van zekerheid aan de koper van de aandelen, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie. Daarnaast wordt verduidelijkt dat de gewijzigde aansprakelijkheidsbepaling niet alleen op natuurlijke personen ziet maar ook op lichamen.

De omstandigheid dat in een aangiftebiljet wordt verwezen naar een toelichting, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat bij aangiftebelastingen bezwaar kan worden gemaakt binnen zes weken, betekent op zichzelf niet dat een termijnoverschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar kan zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De verplichting om een rechtsmiddelenverwijzing op te nemen geldt niet voor aangiftebelastingen, maar het ontbreken ervan kan wel aanleiding zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bepalend is of op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat hij binnen zes weken bezwaar moest maken. Kennis van een gemachtigde wordt in dat kader aan de belanghebbende toegerekend (HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2896).  

De inspecteur mag in de bezwaarfase een informatiebeschikking nemen, ook als hij dat reeds voorafgaand aan het opleggen van de aanslag had kunnen doen.

 

Dit laat onverlet dat onder bepaalde omstandigheden een informatiebeschikking in de bezwaarfase in strijd kan komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bijvoorbeeld als de belanghebbende op basis van een uitlating van de inspecteur mocht aannemen dat een informatiebeschikking achterwege zou blijven. Hier is volgens de Hoge Raad echter geen sprake van als de inspecteur enkel heeft afgezien van het nemen van een informatiebeschikking in de aanslagfase (HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895).    

De regels met betrekking tot de informatiebeschikking hebben onmiddellijke werking. Dit betekent dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar de inspecteur zich slechts op omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen, indien er ofwel sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking ofwel de vereiste aangifte niet is gedaan.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daarnaast heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat ook bij (onherstelbare) schendingen van de in artikel 52 AWR neergelegde administratieverplichtingen een onherroepelijke informatiebeschikking nodig is als de inspecteur zich op omkering en verzwaring van de bewijslast wil beroepen. Dit leidt uitzondering als de vereiste aangifte over het betreffende jaar niet is voldaan (HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2795). 

De enkele omstandigheid dat het beheer van buitenlandse beleggingen in Nederland plaatsvindt, staat aan toepassing van de verlengde navorderingstermijn niet in de weg.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de totstandkoming van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar heeft de wetgever specifiek het oog gehad op inkomsten die in het buitenland zijn verkregen, of op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt. Het enkele feit dat het beheer van een Nederlandse beleggingsrekening vanuit het buitenland plaatsvindt, is daarom onvoldoende voor toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Omgekeerd oordeelt de Hoge Raad dat buitenlandse beleggingen die vanuit Nederland worden beheerd in beginsel onder de verlengde navorderingstermijn vallen (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2991).

Ook een juridische stelling kan tot vernietiging van een Unierechtelijk besluit leiden als het verdedigingsbeginsel is geschonden.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Hof van Justitie van de EU heeft beslist dat schending van het verdedigingsbeginsel niet zonder meer resulteert in vernietiging van het onderliggende besluit. Dit is pas het geval indien het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad als de belastingplichtige voorafgaande aan de vaststelling van de Unierechtelijke beschikking in de gelegenheid zou zijn gesteld haar zienswijze te geven. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat ook een puur juridische stelling het besluitvormingsproces kan beïnvloeden in vorenbedoelde zin. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de omstandigheid dat iemand bekend moet worden geacht met de feiten die tot een bezwarend besluit hebben geleid onverlet laten dat die persoon expliciet en ook tijdig moet worden uitgenodigd om te worden gehoord alvorens het besluit door de belastingautoriteiten wordt genomen (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2989 en HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3174).

Uitbreiding experimenteerbepaling naar de invordering. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De experimenteerbepaling in de Invorderingswet komt tekstueel nagenoeg volledig overeen met de in 2008 ingevoerde heffingspendant in artikel 64 AWR. De bepaling maakt het voor de ontvanger mogelijk om van de geldende wettelijke invorderingsbepalingen af te wijken als dat efficiënter is. Hiertoe is instemming van de belastingschuldige vereist en de contra legem inning mag niet leiden tot voldoening van een lagere schuld dan zou zijn voldaan bij inning conform de wettelijke regels. Vooralsnog is onduidelijk wat het kabinet precies voor ogen heeft met deze experimenteerbepaling (bron: Rijksoverheid).

Wetgeving en beleid 

 

Rechtstreeks storten aan de Belastingdienst ter vrijwaring van het risico van inleners- en ketenaansprakelijkheid vervalt per 1 januari 2016.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het huidige stelsel van G-rekeningen blijft echter bestaan. Onder dit stelsel houdt de uitlener/onderaannemer een geblokkeerde bankrekening aan waarop inleners, aannemers en opdrachtgevers het gedeelte van het factuurbedrag dat betrekking heeft op de verschuldigde loonheffingen kunnen storten. Indien aan de daarbij geldende administratieve verplichtingen is voldaan, wordt het risico van aansprakelijkheid verminderd met het bedrag dat op de G-rekening is gestort (bron: Rijksoverheid). 

Aanpassing witwaswetgeving ingediend bij de Tweede Kamer. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit wetsvoorstel voorziet in een afzonderlijke strafbaarstelling van zogenaamd ‘eenvoudig (schuld)witwassen’. Strafbaar wordt gesteld het enkele verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn van door de dader zelf gepleegde misdrijven. De nieuwe strafbaarstelling kent een lager strafmaximum dan de huidige witwasmisdrijven, omdat door de verdachte nog geen handelingen zijn verricht die daadwerkelijk gericht zijn op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Het wetsvoorstel impliceert dat degene die verdacht wordt van belastingfraude ook steeds voor witwassen kan worden vervolgd, zelf bij het enkel voorhanden hebben van vermeend zwart geld. Automatische dubbele bestraffing wordt volgens de Memorie van Toelichting voorkomen, doordat bij een gecombineerde vervolging de bewezenverklaring van het eenvoudig (schuld)witwassen niet van invloed zal zijn op de hoogte van de gevangenisstraf. Het grondmisdrijf staat dus centraal (bron: Rijksoverheid).

De rechter die in eerste aanleg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste een jaar oplegt, kan bij zijn oordeel ambtshalve of op vordering van de officier van Justitie de voorlopige hechtenis van de veroordeelde bevelen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze nieuwe bevoegdheid voorziet een wetsvoorstel dat de minister van Veiligheid en Justitie recentelijk ter advies heeft voorgelegd. De vrijheidsbeneming kan derhalve direct een aanvang nemen, ook als de verdachte appel heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De rechter in eerste aanleg dient bij zijn uitspraak te motiveren waarom hij, ondanks het opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie van een zekere duur, in voorkomend geval afziet van het bevelen van de gevangenneming van de verdachte (bron: Rijksoverheid).

Fiscaal procesrecht

 

A-G IJzerman concludeert dat een informatiebeschikking die betrekking heeft op meerdere jaren en/of belastingsoorten geen deelbaar besluit is. 

 

Volgens de A-G komt een algemeen geformuleerde, niet onherroepelijke informatiebeschikking daarom in zijn geheel te vervallen als de inspecteur met betrekking tot een onderdeel van die informatiebeschikking een beschikking neemt, zoals een uitspraak op bezwaar. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, dan zal de inspecteur zorgvuldiger moeten kiezen op welke wijze hij een schending van een informatieverplichting vaststelt. Een informatiebeschikking per belastingjaar, belastingsoort en beschikking ligt in de rede (Conclusie A-G IJzerman 11 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1702).

Volgens A-G Niessen kan voor het keuzerecht bij gemeenschappelijke inkomensbestanddelen niet eenzijdig worden geopteerd. 

 

Fiscale partners kunnen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen onderling naar eigen inzicht toerekenen, mits gezamenlijk 100% wordt aangegeven. Indien (voormalig) partners niet tot een verdeling kunnen komen, treedt voor de toerekening van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel het wettelijke vermoeden van toerekening bij helfte in de plaats. Dit kan ertoe leiden dat een belastingplichtige wordt aangeslagen voor niet aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen waarop hij zelf geen recht kan doen gelden. A-G Niessen meent dat de belastingplichtige zich in een dergelijk geval langs civiele weg zal moeten verhalen op de voormalig partner van wie de bestanddelen zijn (Conclusie A-G Niessen 18 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1844).

Het recht op vooraftrek van btw mag niet worden geweigerd op grond van het feit dat de factuur is uitgereikt door een leverancier die niet door de belastingautoriteiten kan worden geïdentificeerd, tenzij op basis van objectieve gegevens is bewezen dat de ondernemer wetenschap had van btw-fraude.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De bewijslast dat het recht op vooraftrek van toepassing is, rust op de ondernemer die dat recht inroept. Die ondernemer zal, kortgezegd, aannemelijk moeten maken dat hij van een andere ondernemer goederen of diensten heeft ontvangen die hij gebruikt voor zijn btw-belaste activiteiten en ter zake beschikt over een factuur die voldoet aan de eisen van de btw-richtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een leverancier niet als btw ondernemer is geregistreerd en als zodanig niet door de belastingautoriteiten kan worden geïdentificeerd, op zichzelf niet betekent dat er geen sprake kan zijn van een btw-belastbare handeling ter zake waarvan een recht op vooraftrek bestaat. Als aan bovengenoemde materiële en formele voorwaarden is voldaan, kan het recht op vooraftrek alleen worden geweigerd als de ondernemer wist of behoorde te weten dat ergens in de handelsketen btw-fraude plaatvond. De bewijslast hiervan rust op de inspecteur (Hof van Justitie van de EU, 22 oktober 2015, C-277/14).

Invorderingsrecht 

 

De verjaringstermijn van het recht op dwanginvordering wordt niet verlengd met de termijn gedurende welke de mogelijkheid van hoger beroep openstond tegen het vonnis waarbij het verzet van de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond is verklaard.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door betekening van een verzetdagvaarding wordt de tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschorst voor zover zij door het verzet wordt bestreden. Dit brengt mee dat de verjaringstermijn van het recht op dwanginvordering wordt verlengd zolang de tenuitvoerlegging van het dwangbevel is geschorst. De schorsende werking van het verzet eindigt met het vonnis waarbij op dat verzet is beslist en herleeft pas weer indien tijdig hoger beroep is ingesteld tegen een niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. In de tussengelegen periode kan de ontvanger de dwanginvordering hervatten, reden dat de verjaringstermijn niet wordt verlengd gedurende de termijn dat hoger beroep openstaat tegen een vonnis waarbij een verzet ongegrond is verklaard (HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2488). 

Op grond van artikel 40 Invorderingswet 1990 kunnen ook lichamen aansprakelijk worden gesteld. 

 

Ingevolge artikel 40 Invorderingswet is de aandeelhouder van een lichaam waarin zich stille en fiscale reserves bevinden onder omstandigheden aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van die vennootschap na vervreemding van de aandelen. Advocaat-Generaal IJzerman concludeerde eerder dat de huidige wettekst onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat naast natuurlijke personen ook rechtspersonen op de voet van deze bepaling aansprakelijk kunnen worden gesteld. De Hoge Raad denkt daar echter anders over en overweegt in dat verband dat de wetgever niet heeft beoogd om de werking van artikel 40 Invorderingswet met ingang van 1 januari 2001 te beperken door de voorheen bestaande mogelijkheid tot aansprakelijkstelling van lichamen te laten vervallen (HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3081).

Fiscaal strafrecht

 

Van de in artikel 52 AWR neergelegde administratie- en bewaarplicht zijn niet uitgezonderd onjuiste of valse stukken. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als een rechtspersoon in strijd met de waarheid opgemaakte inkoopfacturen of andere vervalste stukken in zijn administratie heeft opgenomen, kan die rechtspersoon derhalve niet strafbaar worden gesteld voor het (opzettelijk) voeren van een ondeugdelijke administratie. Het delict valsheid in geschrifte kan in een dergelijk geval wel ten laste worden gelegd (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2920).

Het ‘una via-beginsel’ reikt niet zo ver dat de officier van Justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, als reeds vóór het opleggen van de bestuurlijke boete de strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het una via-beginsel ligt in het verlengde van het ne bis in idem-beginsel en wordt gedefinieerd als het principe dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit met verschillende soorten sancties door de overheid mag worden belaagd, zodat de overheid derhalve een keuze moet maken. Dit beginsel is, onder meer, neergelegd in artikel 5:44 van de Awb en bepaald dat een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Ingeval de Belastingdienst in strijd met deze regel toch een bestuurlijke boete oplegt en er derhalve onvoldoende afstemming met het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden, dan staat die boete niet aan strafvervolging in de weg (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2978).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact