top of page


Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | juni 2026
Nummer 65: 1 april 2026 tot en met 31 mei 2026
Wetgeving en beleid
Wijziging Uitvoeringsregeling Invorderingswet in verband met rechterlijke toetsing uitstel en kwijtschelding van belastingen.
Vanaf 1 januari 2027 kan een belastingschuldige een afwijzende beslissing op een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding aan de rechter voorleggen. In dat verband wordt ook de Uitvoeringsregeling Invorderingswet gewijzigd. Specifiek met betrekking tot kwijtschelding wordt hierin vastgelegd dat bepaalde (dwang)crediteuren expliciet buiten een saneringsakkoord kunnen blijven, dat onder omstandigheden alleen een belastingschuld kan worden gesaneerd en de redenen om kwijtschelding te verlenen c.q. af te wijzen. Een welkome aanvulling op de rechtsbescherming (Staatscourant 2026, 14219).
Fiscaal procesrecht
Weigering ambtshalve vermindering volgens A-G nog steeds niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel ingeval van nieuwe jurisprudentie.
Als een belastingaanslag onherroepelijk vaststaat en de bezwaartermijn (dus) is verlopen, dan kan de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering doen. Geen ambtshalve vermindering wordt echter verleend als de onjuistheid van de belastingaanslag het gevolg is van jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is geworden. Dit speelt in de praktijk bijvoorbeeld bij onherroepelijke belastingaanslagen met box III-bestanddelen die volgens de Hoge Raad niet in overeenstemming zijn met het Europese recht op eigendom. A-G Pauwels concludeert dat de “nieuwe-jurisprudentie-uitzondering” een bewuste keuze is geweest van de wetgever en niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of EU recht (conclusie A-G 8 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:463).
Fiscale procedure wordt niet 'criminal' bij toepassing van omkering en verzwaring bewijslast.
Wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan, treedt de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in werking. Dat kan in de praktijk verstrekkende gevolgen hebben. In de praktijk leeft daarom nog altijd de vraag of deze sanctie in voorkomend geval een ‘criminal charge’ oplevert in de zin van artikel 6 EVRM. In dat geval zou een belastingplichtige aanspraak kunnen maken op de waarborgen die het EVRM biedt, waaronder het verbod op dubbele bestraffing voor dezelfde gedraging. A-G Koopman concludeert echter dat de omkering naar haar aard een bewijsrechtelijke en reparatoire maatregel is, gericht op het opheffen van het door de belastingplichtige veroorzaakte bewijsnadeel aan de zijde van de inspecteur. Dat de maatregel in individuele gevallen als zwaar kan worden ervaren en dat de daarmee gepaard gaande bewijspositie voor de belastingplichtige moeilijk kan zijn, maakt haar nog niet tot een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 EVRM, aldus de A-G (conclusie A-G Koopman 17 april 2026, ECLI:NL:PHR:2026:411).



Invorderingsrecht
Geen volledige inhoudelijke toetsing van belastingaanslagen als de curator een derde aansprakelijk aansprakelijk stelt voor belastingschulden.
In deze zaak stelde een curator in faillissement een derde partij aansprakelijk wegens onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers. De schade bestond grotendeels uit onherroepelijk vaststaande belastingschulden die de ontvanger in het faillissement had ingediend. De derde had zich hiertegen verweert en stelde, onder meer, dat de belastingaanslagen materieel niet juist konden worden geacht. De Hoge Raad oordeelt echter dat in dit specifieke geval geen volledige inhoudelijke toetsing van de belastingaanslagen plaatsvindt. De derde kan zich tegenover de curator wel verweren met het betoog dat de curator of de belastingschuldige de verschuldigdheid van de belastingschuld (beter) had moeten bestrijden, zodat het nadeel voor rekening van de boedel blijft. De ontvanger kan onrechtmatig handelen jegens een derde bij het indienen of handhaven van belastingvorderingen in faillissement, maar met het aannemen van een dergelijke onrechtmatigheid moet volgens de Hoge Raad behoedzaam worden omgegaan. Het feit dat een belastingaanslag achteraf onjuist blijkt, is onvoldoende. Een volledige inhoudelijke toetsing van belastingaanslagen is overigens wel aan de orde wanneer de ontvanger zelf een derde aansprakelijk stelt voor de belastingschulden van een ander (HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:817).
Fiscaal strafrecht
Una via-beginsel biedt in het fiscale sanctierecht weinig bescherming.
In deze zaak was een bestuurder van een vennootschap als feitelijk leidinggever strafrechtelijk veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften van de BV over de jaren 2011 en 2012. Daarnaast is in deze zaak de bestuurder door de ontvanger van de Belastingdienst aansprakelijk gesteld voor een vergrijpboete die voor het jaar 2013 aan de BV was opgelegd. Eerder had het hof geoordeeld dat deze dubbele bestraffing in strijd is met het una via-beginsel, aangezien sprake was van materieel dezelfde gedraging. De Hoge Raad casseert dit oordeel en herhaalt dat voor toepassing van het una via-beginsel niet doorslaggevend is of de sancties verband houden met hetzelfde feitencomplex, maar of zij betrekking hebben op dezelfde concrete overtreding. Doordat de vergrijpboete en strafrechtelijke veroordeling zien op verschillende tijdvakken, is sprake van verschillende gedragingen. Strijdigheid met het una via-beginsel is dan niet aan de orde. Aangezien in het fiscale recht (vermeende) overtredingen doorgaans betrekking hebben op meerdere tijdvakken, kunnen bestuurders daarom eenvoudig met een cumulatie van sancties te maken krijgen (HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:586).


bottom of page






