KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur juni 2022

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | juni 2022

Nummer 45: 1 april 2022 tot en met 31 mei 2022

Wetgeving en beleid
 
BFT verstrekt beleid in verband met niet tijdige inschrijving UBO-register.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Uiterlijk 27 maart 2022 dienden alle registratieplichtige juridische entiteiten hun UBO’s te hebben geregistreerd in het UBO-register. De praktijk wijst uit dat veel entiteiten nog niet aan deze registratieplicht hebben voldaan. Belastingadviseurs en accountants zijn evenwel verplicht om discrepanties tussen de gegevens waarover zij zelf beschikken en die in het UBO-register te melden bij de KvK. Daarnaast moeten Wwft-instellingen in het kader van het cliëntenonderzoek beschikken over het bewijs dat de UBO’s van hun in Nederland gevestigde cliënten zijn opgenomen in het UBO-register. Nu veel entiteiten nog niet aan de registratieplicht hebben voldaan en verwerking van gegevens door de KvK enige tijd in beslag neemt, mag tot 1 september 2022 worden volstaan met de vaststelling dat registratie door de cliënte heeft plaatsgevonden, maar nog niet is verwerkt. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een bevestigingsmail van de KvK. Hierbij dient de cliënte wel aan te geven welke gegevens zij over haar UBO’s aan de KvK heeft verstrekt. Ook dient zij de Wwft-instelling te informeren wanneer de registratie is voltooid. Overigens wordt van Wwft-instellingen verwacht dat zij in voorkomend geval hun cliënten wijzen op de verplichting hun UBO’s te registreren (Brief minister van Financiën 14 april 2022, nr. 2022-0000091903). 


Fiscaal procesrecht

Als de termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag tijdens een lopend boekenonderzoek bijna verstrijkt, dan kan de inspecteur gehouden zijn een geschatte aanslag op te leggen. Doet de inspecteur dat niet, dan kan er sprake zijn van een ambtelijk verzuim dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag in de weg staat. 











De inspecteur is tijdens een boekenonderzoek verplicht een geschatte aanslag op te leggen, als hij bij het einde van de primitieve aanslagtermijn reeds over zodanige informatie beschikt, dat hij op basis daarvan in redelijkheid kan aannemen dat belasting is verschuldigd. In zo’n geval dient de inspecteur de aanslag te baseren op een redelijke schatting. Komen uit het vervolg van het boekenonderzoek feiten naar voren die meebrengen dat de belastingschuld hoger is, dan zijn dat nieuwe feiten die een navorderingsaanslag ex artikel 16 AWR rechtvaardigen (HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638).


De sanctie omkering en verzwaring van de bewijslast geldt niet langer voor de gehele aanslag, maar alleen ten aanzien van die geschilpunten waarvoor de niet (juist) beantwoordde vraag van belang kan zijn.










De Hoge Raad lijkt zijn vuistregels voor de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan te hebben aangepast. De Hoge Raad overweegt thans dat het niet of niet juist beantwoorden van een vraag in de aangifte in beginsel betekent dat de vereiste aangifte niet is gedaan. In dat kader hoeft niet te worden vastgesteld dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De omstandigheid dat de vereiste aangifte niet is gedaan heeft tot gevolg dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, tenzij er sprake is van een geringe fout in de aangifte of de betreffende tekortkoming niet ziet op de periode waarop de aangifte betrekking heeft. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het feit dat een of meer vragen in de aangifte niet of onjuist zijn beantwoord, niet geldt voor de geschilpunten waarvoor de antwoorden op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn. Dat geldt ook voor vragen die de inspecteur op grond van artikel 47 AWR stelt en derhalve de informatiebeschikking. Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat de pleitbaarheid van een standpunt niet betekent dat een hiermee samenhangende vraag in de aangifte niet behoeft te worden beantwoord (HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767).

 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | controle controle controle
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Every which way but loose!
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Never enough



Leerstuk van interne compensatie niet in strijd met het Unierecht.











In de bezwaar- en (hoger) beroepsfase staat de inspecteur een buitenwettelijke correctiemogelijkheid ten dienste om (toch nog) tot een correcte vaststelling van de materiële belastingschuld te komen: interne compensatie. Deze bevoegdheid heeft in de jurisprudentie gestalte gekregen en houdt in dat wanneer een bezwaar of (hoger) beroep op zichzelf geheel of gedeeltelijk gegrond is en normaliter tot een verlaging van de aanslag zou leiden, de inspecteur de elementen van de aanslag mag wijzigen. Deze compensatie kan echter niet in een hoger nettobedrag resulteren dan de oorspronkelijke aanslag. De inspecteur kan zich derhalve op feiten en omstandigheden beroepen die bij het vaststellen van de aanslag geen rol hebben gespeeld, maar desalniettemin de geheven belasting rechtvaardigen. De Hoge Raad oordeelt in dit verband dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet kan worden afgeleid dat ingeval de heffing van belasting binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, interne compensatie niet is toegestaan (HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752).



Invorderingsrecht

Het besluit van de belastingdeurwaarder om acht keer betekeningskosten in rekening te brengen ter zake van acht individueel aansprakelijkgestelde vennootschappen van een belastingschuldige fiscale eenheid OB, is niet onmiskenbaar onjuist.











Dit is volgens de HR niet anders als die vennootschappen op hetzelfde adres zijn gevestigd en het totaal aan in rekening gebrachte betekeningskosten van maar liefst € 91.144 aanzienlijk meer bedraagt dan de daadwerkelijke kosten die aan het verrichten van de betreffende invorderingswerkzaamheden verbonden zijn. De Hoge Raad bevestigt in dit verband dat in het geval niet (tijdig) administratief beroep tegen de beschikking van de belastingdeurwaarder is ingesteld - in het kader van een dwangbevel waarbij betekeningskosten in rekening zijn gebracht - de ontvanger alleen dan op verzoek gehouden is de betekeningskosten ambtshalve te verminderen, als de hiermee samenhangende beschikking van de belastingdeurwaarder onmiskenbaar onjuist is (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:686).


Fiscaal strafrecht

Het bewijs dat een beboetbaar feit is begaan kan alleen dan worden aangenomen als dat feit buiten redelijke twijfel is vast komen te staan.










Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen die de belanghebbende aan artikel 6 EVRM kan ontlenen in acht te worden genomen. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de bestanddelen van een beboetbaar feit niet slechts door de inspecteur aannemelijk kunnen worden gemaakt, maar overtuigend moeten worden aangetoond. Aldus is sprake van een zwaardere bewijsmaatstaf die aansluit bij het strafrecht. Ook in het strafrecht kan het ten laste gelegde feit immers alleen dan worden aangenomen als dat feit wettelijk en overtuigend bewezen is (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). 

 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | HR is the law
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | If it looks like shit...
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Reasonable doubt for a reasonable fee
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur oktober 2021