Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | juli 2020

Nummer 35: 1 mei 2020 tot en met 2 juli 2020

Wetgeving en beleid

 

 

Nieuwe belangwekkende regels Wwft ingevoerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 21 mei 2015 is de vijfde-antiwitwasrichtlijn geïmplementeerd in de Wwft. Voor adviseurs zijn een aantal wijzigingen van belang. Zo is in de Wwft toegevoegd dat het niet kunnen identificeren van een UBO in de regel extra risico’s met zich meebrengt, hetgeen voor de adviseur aanleiding is om de daarop afgestemde maatregelen duidelijk vast te leggen tijdens het cliëntenonderzoek. Daarnaast is in de Wwft opgenomen wanneer het cliëntenonderzoek in ieder geval moet worden geactualiseerd. Dit is het geval indien de relevante omstandigheden van de cliënt wijzigen en wanneer de adviseur op grond van de Wwft verplicht is om contact op te nemen met de cliënt om informatie omtrent de UBO te evalueren. Verder is in de Wwft toegevoegd welke maatregelen bij een verscherpt cliëntenonderzoek ten minste genomen moeten worden als de cliënt gevestigd is een zogeheten derde-hoogrisicoland

 

 

Meldingsplicht potentieel agressieve internationale fiscale constructies  uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

De Europese richtlijn “Mandatory Disclosure Rules” zou aanvankelijk 1 juli 2020 in werking treden, maar vanwege de coronacrisis is dit uitgesteld naar 1 januari 2021. Op basis van deze richtlijn moeten intermediairs en/of belastingplichtigen potentieel agressieve internationale fiscale constructies melden bij de Belastingdienst (website Belastingdienst).

Fiscaal procesrecht

De kosten van controle en correctie van belastingaangiften behoren tot de normale kosten van de belastingheffing en kunnen daarom niet door de Staat bij individuele belastingplichtigen in rekening worden gebracht.

 

Dit uitgangspunt is niet anders als de belastingplichtige of zijn adviseur opzettelijk onjuiste aangiften hebben ingediend en de kosten van de Belastingdienst daardoor hoger uitvallen. Ook in dat geval kan de Staat niet langs privaatrechtelijke weg op grond van onrechtmatige daad proberen die kosten te verhalen (HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:890).

Verdedigingsbeginsel niet geschonden bij reactietermijn van drie dagen wanneer de verjaring van de naheffingstermijn dreigt.

Het verdedigingsbeginsel brengt mede dat de belanghebbende dient te worden gehoord alvorens een voor hem bezwarend besluit wordt genomen. Dit uitgangspunt is evenwel niet absoluut. Het verdedigingsbeginsel kan in voorkomend geval worden beperkt. Een dergelijke beperking moet per zaak aan de hand van de specifieke omstandigheden worden getoetst. Uitstel van betaling betekent niet zonder meer een gerechtvaardigde beperking. Wel kan een dreigende verjaring van de heffingstermijn volgens de Hoge Raad een rechtvaardigingsgrond zijn om niet vooraf te horen. Ook kan een dreigende verjaring rechtvaardigen dat de termijn voor het reageren op een aangekondigde aanslag tot een minimum wordt bekort, zelfs indien daardoor tekort wordt gedaan aan de mogelijkheid doeltreffend te reageren. Hierbij kan wel als kanttekening worden geplaatst dat het verdedigingsbeginsel niet kan worden beperkt wegens een dreigende verjaring indien de inspecteur onredelijk lang heeft stilgezeten (HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1044).

Invorderingsrecht

 

 

De ontvanger is verplicht ook de stukken omtrent de hoogte van de aanslag te overleggen indien de aansprakelijkgestelde de omvang van de belastingschuld betwist

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een aansprakelijkgestelde kan zowel tegen de aansprakelijkheid als de omvang van de onderliggende belastingschuld opkomen. Als de aansprakelijkgestelde de hoogte van de belastingschuld betwist, is de ontvanger daarom gehouden ook de stukken te overleggen die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan welke van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de omvang van de belastingschuld. Het feit dat de ontvanger en de inspecteur afzonderlijke bestuursorganen zijn maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders (HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). 

 

 

Volgens A-G Ettema kan een gewezen bestuurder niet op de voet van artikel 33, lid 1, sub a IW aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden van het lichaam dat hij heeft bestuurd.

 

 

 

 

 

 

Dit betekent volgens de A-G dat een bestuurder op grond van voornoemd artikel slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor door een VOF verschuldigde belastingen die tijdens zijn bestuursperiode zijn geformaliseerd. Wel kan in zo’n geval de aansprakelijkstelling worden gebaseerd op artikel 18 WvK, omdat de gewezen bestuurder civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de verbintenissen van het lichaam (Conclusie AG Ettema 29 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:549).

Fiscaal strafrecht

Van een pleitbaar standpunt kan alleen worden gesproken indien het standpunt betrekking heeft op de interpretatie van het recht en niet (alleen) op de vaststelling van de feiten.

 

Omkering en verzwaring van de bewijslast en boetes blijven achterwege als de belastingplichtige bij het doen van de aangifte een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. De Hoge Raad oordeelt in dat kader dat een pleitbaar standpunt enkel betrekking kan hebben op de interpretatie van het (fiscale) recht, waaronder de rechtskundige duiding van de feiten. Van een pleitbaar standpunt is dus geen sprake als dat uitsluitend ziet op de vaststelling van de feiten of de waardering van bewijsmiddelen. Daarnaast heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat als de belastingplichtige door de rechtbank (geheel of gedeeltelijk) op rechtskundige gronden in het gelijk is gesteld, het in een volgende instantie ervoor moeten worden gehouden dat hij een pleitbaar standpunt innam (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970).

Ook niet-tenlastegelegde belastingaangiften kunnen in het kader van de straftoemeting worden meegewogen.

De Hoge Raad oordeelt dat bij verdenking van grootschalige fiscale fraude in de tenlastelegging kan worden volstaan met de beschrijving van een beperkt aantal representatieve belastingaangiften. Als het grootschalige karakter van de fraude vaststaat, bijvoorbeeld het stelselmatig indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting over een langdurige periode, dan mag de rechter bij de strafoplegging ook de niet-tenlastegelegde belastingaangiften betrekken (HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact