Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 9: 1 november tot en met 31 december 2015

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | januari 2016

Fiscaal procesrecht

 

 

Voor het keuzerecht bij gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kan niet eenzijdig worden geopteerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fiscale partners kunnen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen onderling naar eigen inzicht toerekenen, mits gezamenlijk 100% wordt aangegeven. Indien (voormalig) partners niet tot een verdeling kunnen komen, wordt een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel op grond van artikel 2.17 Wet IB bij helfte verdeeld. Dit kan er volgens de Hoge Raad toe leiden dat een belastingplichtige wordt aangeslagen voor niet-aangegeven vermogensbestanddelen van een (inmiddels ex-)partner (HR 6 november 2011, ECLI:NL:HR:2015:3223).

Bij samenhangende zaken vormt de datum van ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift het aanvangstijdstip voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer de redelijke termijn voor het beslechten van een belastinggeschil is overschreden, heeft de belastingplichtige recht op een schadevergoeding van € 500 per halfjaar waarmee die termijn is overschreden. Bij samenhangende zaken wordt in beginsel slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Hiervan is volgens de Hoge Raad sprake indien een aantal zaken van de belanghebbende gelijktijdig worden behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3289).

 

De inspecteur is geen dwangsom verschuldigd als hij onredelijk laat in gebreke is gesteld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De inspecteur verbeurt op grond van artikel 4:17 Awb een dwangsom indien hij in gebreke is tijdig uitspraak op bezwaar te doen. Een ingebrekestelling kan echter niet op elk gewenst moment plaatsvinden. Lang stilzitten van de belastingplichtige kan ertoe leiden dat het recht op een dwangsom vervalt. De vraag wanneer de inspecteur onredelijk laat in gebreke is gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een lopend overleg kan bijvoorbeeld een gegronde reden zijn voor het uitblijven van een ingebrekestelling. Ook hier geldt dat bij samenhangende zaken in beginsel slechts één dwangsom verschuldigd is (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3293).  

Het niet voldoen aan een vragenbrief van de inspecteur blijft zonder nadelige gevolgen indien het niet naleven daarvan de belastingplichtige niet kan worden aangerekend. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hoge Raad maakt in dat kader onderscheid tussen een verklaring en schriftelijke bescheiden. Een belemmering van fysieke en/of psychische aard kan in voorkomend geval een rechtvaardiging opleveren voor het niet afleggen van een schriftelijke of mondelinge verklaring. Bij schriftelijke, vaststaande bescheiden daarentegen moet worden beoordeeld of de belastingplichtige, gelet op de omstandigheden van het geval, een beroep had behoren te doen op de bijstand van een derde om aan het informatieverzoek te kunnen voldoen. De snelheid waarmee een ziekte zich ontwikkelt kan hierbij een belangrijke rol spelen (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273).  

Het verdedigingsbeginsel is niet van toepassing bij zuiver nationale belastinggeschillen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als het Unierecht in het geding is, bijvoorbeeld bij een naheffingsaanslag omzetbelasting, dan dient de belastingplichtige in de gelegenheid te worden gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken vóórdat de aanslag wordt opgelegd. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat dit recht niet geldt bij een navorderingsaanslag inkomstenbelasting waaraan geen Europeesrechtelijke aspecten kleven. In een dergelijk geval kan de aanslag op grond van artikel 4.12, lid 1, Awb worden opgelegd zonder dat de belastingplichtige voorafgaand is gehoord (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3270).

Als de belastingplichtige geen hoger beroep heeft ingesteld omdat hij door de rechtbank in het gelijk is gesteld, dan dient het hof de in eerste aanleg onbesproken stellingen alsnog te behandelen als dit voor de rechtsstrijd in hoger beroep van belang is.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De omstandigheid dat deze stellingen niet zijn vermeld in het verweerschrift in hoger beroep en pas bij pleidooi door de belastingplichtige zijn herhaald, brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat de belastingplichtige zijn bij de rechtbank ingenomen stellingen heeft prijsgegeven, dan wel dat die stellingen in hoger beroep als tardief moet worden beschouwd (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3311).  

Weigering van een belastingplichtige om stukken over te leggen geeft de inspecteur niet het recht om de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar zelfstandig op te schorten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 4:15, lid 2, Awb kan een bestuursorgaan de termijn voor het geven van een beschikking opschorten, als de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend of bij overmacht. Volgens A-G IJzerman is dit opschortingsrecht niet aan de orde indien de belastingplichtige weigert informatie aan de inspecteur te verstrekken. Dit betekent dat als de inspecteur geen uitspraak op bezwaar wil doen zolang de belastingplichtige niet de verzochte informatie verstrekt, de belastingplichtige beroep in kan stellen twee weken nadat de inspecteur in gebreke is gesteld tijdig uitspraak op bezwaar te doen. Dit aan artikel 6:2 Awb ontleende recht heeft de wetgever niet afhankelijk willen maken van het eerst voldoen aan een door de inspecteur gestelde informatieverplichting (A-G IJzerman 23 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2341).  

Een informatiebeschikking kan betrekking hebben op meer dan één belastingmiddel en belastingjaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De inspecteur kan aldus een informatiebeschikking vaststellen die ziet op meerdere op te leggen aanslagen. Daarnaast vervalt een algemeen geformuleerde niet-onherroepelijke informatiebeschikking gedeeltelijk, indien de inspecteur met betrekking tot een onderdeel van die beschikking een aanslag vaststelt of uitspraak op bezwaar doet. Hierbij is niet vereist dat de aanslag of uitspraak op bezwaar inhoudelijk op dezelfde bestanddelen ziet als de informatiebeschikking. De informatiebeschikking vervalt derhalve op grond van artikel 52a, lid 3, AWR, voor zover deze betrekking heeft op hetzelfde belastingmiddel en op hetzelfde belastingjaar als de aanslag of uitspraak op bezwaar (HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3489 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602).  

Het fiscale procesrecht voorziet niet in de mogelijkheid dat bij de rechter gehoorde getuigen een rechtsmiddel kunnen instellen tegen een uitspraak van die rechter.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het civiele recht kan een getuige de verwerping van zijn beroep op het verschoningsrecht voorleggen aan een hogere rechter. In het belastingrecht geldt echter een gesloten stelsel van rechtsbescherming, hetgeen betekent dat degenen die bevoegd zijn een rechtsmiddel in te stellen limitatief zijn opgesomd in artikel 26a AWR. Getuigen behoren niet tot de hierin genoemde personen (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3604).   

De weigering van de inspecteur een op de zaak betrekking hebbend stuk te overleggen, zoals een ongeschoond afschrift waaruit de identiteit van een tipgever blijkt, kan op zichzelf niet tot vernietiging van de aanslag leiden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 8:29 Awb biedt een procespartij de mogelijkheid om met een beroep op gewichtige redenen het overleggen van bepaalde stukken te weigeren. Als de rechter een dergelijk beroep afwijst, kan een procespartij ervoor kiezen om te volharden in zijn weigering tot overlegging van de betreffende stukken. Op de voet van artikel 8:31 Awb kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Bij die beoordeling moet de rechter alle omstandigheden van het geval meewegen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. De procesopstelling die een partij op grond van artikel 8:29 Awb kan kiezen zou volgens de Hoge Raad worden doorkruist, als ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals bijvoorbeeld FIOD-ambtenaren, in de hoedanigheid van getuigen kunnen worden gedwongen om gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Die informatie behoeft een getuige derhalve niet te verstrekken (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600).

Douanerecht 

 

De inspecteur kan door middel van één aanslagbiljet meerdere uitnodigingen tot betaling vaststellen.   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De omstandigheid dat een op het aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling te hoog is vastgesteld, heeft geen gevolgen voor de andere op hetzelfde aanslagbiljet vermelde uitnodigingen tot betaling. In een dergelijk geval kan de inspecteur of rechter de zaak zelf afdoen door zijn uitspraak in de plaats te stellen van het vernietigde gedeelte van de uitnodiging tot betaling. Het is dus niet nodig dat de inspecteur opnieuw een uitnodiging tot betaling opmaakt en uitreikt (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3316).  

Fiscaal strafrecht

 

Als niet alleen ten laste is gelegd dat de verdachte een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, maar ook dat in die aangifte een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, dan kan dit feit alleen bewezen worden verklaard als vaststaat dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 69, lid 2, AWR is degene strafbaar die opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte doet. Het is dus niet vereist dat in de tenlastelegging wordt opgenomen dat in de onjuiste of onvolledige aangifte een te laag belastbaar bedrag is opgegeven. Als de tenlastelegging in die zin echter is aangevuld, dan zal uit de gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is dan het door de verdachte opgegeven bedrag (HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3432).

Aan het strekkingvereiste is voldaan indien de ten laste gelegde gedraging naar haar aard en in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.  

 

Het niet of onjuist doen van een aangifte is alleen strafbaar als het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat dit strekkingsvereiste niet beperkt is tot de belastingheffing van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of de gedraging op zichzelf in rekenkundige zin tot gevolg kan hebben dat onvoldoende belasting wordt geheven. Dit betekent bijvoorbeeld dat ook indien sprake is van een fictieve handel teneinde ten onrechte teruggaven van omzetbelasting te bewerkstelligen, er voldaan is aan het strekkingsvereiste (HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431).

Invorderingsrecht

 

Per 1 januari 2016 is de mogelijkheid voor de ontvanger tot toepassing van lijfsdwang uitgebreid.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zag artikel 20 Invorderingswet 1990 voorheen louter op belastingvorderingen, thans is het de ontvanger ook toegestaan lijfsdwang toe te passen voor civiele vorderingen die strekken tot betaling van schadevergoeding aan de ontvanger in verband met een belastingschuld die niet is voldaan. Het bestaande Leidraad-beleid op artikel 20 is van overeenkomstige toepassing; lijfsdwang is ulitmum remedium, de onbetaald gebleven belastingschuld dient materieel verschuldigd te zijn en het minsterie van Financiën dient voorafgaand toestemming voor lijfsdwang te hebben verleend (Wijziging Leidraad Invordering 2008, nr. BLKB2015/1540M, 15 december 2015).

Een deskundigenrapport kan door de rechter tot het bewijs worden gebezigd, ook als partijen niet de beschikking hebben over alle gegevens waarop het deskundigenrapport is gebaseerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De rechter mag een afwijzend oordeel niet baseren op gegevens waarover de in het ongelijk gestelde partij zich niet of onvoldoende heeft kunnen uitlaten. Dit betekent dat een partij de gelegenheid moet hebben gehad om effectief commentaar te leveren op een deskundigenrapport dat aan de rechterlijke beslissing ten grondslag wordt gelegd. Hiervoor is evenwel niet steeds vereist dat partijen over alle onderliggende gegevens moeten beschikken. Als een partij de betrouwbaarheid van een niet-verifieerbaar deskundigenrapport gemotiveerd bestrijdt, dan dient de rechter inzichtelijk te maken waarom dat deskundigenrapport niettemin bruikbaar is voor het bewijs (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467).

Beleidsvoorschriften ter zake van toepasselijkheid communautaire verdedigingsbeginsel bij aansprakelijkstelling opgenomen in artikel 49.2a Leidraad Invordering 2008. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingeval van aansprakelijkstelling voor belastingen waarvan het gemeenschapsrecht rechtstreeks doorwerkt in het nationale recht (douanerechten) of waarbij de nationale wetgeving uitvoering geeft aan het Europese recht (omzetbelasting, accijns en energiebelasting) is het verdedigingsbeginsel van toepassing. Dit brengt als hoofdregel met zich mee dat de ontvanger zijn voornemen tot aansprakelijkstelling vooraankondigt. De belanghebbende heeft vervolgens drie weken de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken en aan te geven of hij gehoord wenst te worden (Wijziging Leidraad Invordering 2008, nr. BLKB2015/1540M, 15 december 2015).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact