Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 12: 1 mei tot en met 30 juni 2016

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | juli 2016

Het Besluit Beroep in Belastingzaken is per 1 juli 2016 gewijzigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het besluit is opgenomen dat de inspecteur slechts na toestemming van de directeur de rechtbank mag vragen om verlenging van de termijn voor het indienen van een verweerschrift of conclusie van dupliek. Daarnaast is opgenomen dat de inspecteur nagaat bij de ontvanger of een uitbetaling van het griffierecht, de proceskosten en een immateriële schadevergoeding kan worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen. Verder is in lijn met recente rechtspraak van de Hoge Raad bepaald dat een immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente als die vergoeding niet is uitbetaald of verrekend binnen 4 weken na de datum van openbaarmaking van de veroordelende uitspraak (Besluit Staatssecretaris van Financiën 24 juni 2016, nr. BLKB2016/365M).

Wetgeving en beleid

 

 

Procesregeling prejudiciële vragen door de Belastingkamer van de Hoge Raad vastgesteld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vanaf 1 januari 2016 kan de feitenrechter ook in belastingzaken op verzoek van een partij of ambtshalve prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen. Het moet dan gaan om een rechtsvraag die voor een groot aantal vergelijkbare zaken van belang kan zijn. De Hoge Raad licht in de procesregeling toe welke procedures gelden wanneer een prejudiciële vraag aan hem wordt voorgelegd (Procesregeling prejudiciële vragen Belastingkamer Hoge Raad 27 mei 2016, Staatscourant 2016 nr. 28286).

Boete bij vrijwillige verbetering van verzwegen vermogen verhoogd naar 120%.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Per 1 juli 2016 kan bij een inkeer van verzwegen box III bestanddelen een boete worden opgelegd van 120% als twee of meer jaren zijn verstreken na het beboetbare feit. Het boetepercentage bij een rechtsgeldige inkeer van andere inkomensbestanddelen is ongewijzigd gebleven en bedraagt aldus 60%. Deze percentages laten onverlet dat het opleggen van een boete maatwerk is en de omstandigheden van het geval aanleiding kunnen geven tot matiging van de boete (Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst 30 juni 2016, BLKB2016/695M). 

Fiscaal procesrecht

 

In een verzetprocedure moet de belanghebbende in beginsel ambtshalve worden gehoord als een boete in het geding is. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De belastingrechter kan een zaak in bepaalde gevallen zonder inhoudelijke behandeling afdoen, bijvoorbeeld als de beroepstermijn niet in acht is genomen. Tegen een dergelijke uitspraak staat het rechtsmiddel van verzet open. Een belanghebbende wordt in de verzetprocedure gehoord, indien hij daarom heeft verzocht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als een boete in het geding is, de rechter dient te onderzoeken of het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM aanleiding geeft de belanghebbende ambtshalve uit te nodigen om te worden gehoord. Dus ook als de belanghebbende daarom niet heeft verzocht. Een uitspraak op verzet die geen blijk geeft van dit onderzoek wordt door de Hoge Raad gecasseerd (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1028). 

Geen omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de aangifte als het bewijs dat de belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte ontbreekt. 

 

Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, treedt ambtshalve de processuele sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in. Hiervan is, onder meer, sprake als de belanghebbende ondanks daartoe te zijn uitgenodigd geen aangifte heeft gedaan. De bewijslast dat de belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte rust op de inspecteur. Hij kan daartoe in eerste instantie volstaan met het bewijs van verzending van de uitnodiging naar het juiste adres. De Hoge Raad heeft in dit verband duidelijk gemaakt dat bewijs van verzending van de herinnering en de aanmaning onvoldoende is om aan te nemen dat de belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van de aangifte. De inspecteur zal dus bewijs van verzending van de uitnodiging zelf moeten inbrengen als de belanghebbende ontvangst daarvan betwist (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268).  

Invorderingsrecht

 

Volgens de Nationale Ombudsman dient de ontvanger zich een eigen inhoudelijk oordeel te vormen over de materiële verschuldigdheid van een onherroepelijk vaststaande aanslag als de belastingschuldige de aanslag gemotiveerd betwist. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008 bepaalt dat de ontvanger een onherroepelijk vaststaande aanslag marginaal toetst als de belangschuldige aannemelijk maakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van die aanslag. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat de belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger geen invorderingsmaatregelen. De ontvanger stelt zich in de praktijk veelal op het standpunt dat hij slechts behoeft te beoordelen of de aanslag onmiskenbaar onjuist is. Dit moet hem aanstonds duidelijk zijn zonder dat hij daarvoor nader onderzoek behoeft te verrichten. Naar het oordeel van de Nationale Ombudsman is die toets echter te beperkt. Als de belastingschuldige gegronde twijfels aannemelijk maakt, is het aan de ontvanger om met kennisneming van het dossier een eigen inhoudelijk oordeel te vormen over de materiele verschuldigdheid van de aanslag (Rapport Nationale Ombudsman 18 april 2016, nr. 2016/037). 

Fiscaal strafrecht

 

Een niet binnen de termijn ingediend aanslagbiljet IB/PVV waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, kwalificeert niet als een bij de belastingwet voorziene aangifte die op grond van artikel 69 AWR kan worden vervolgd.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 69, lid 4, AWR bepaalt dat indien sprake is van een fiscaal delict als bedoeld in artikel 69, lid 1 en 2, AWR, de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, lid 2, Sr. Het Openbaar Ministerie dienst alsdan niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het indienen van een bezwaarschrift tegen een ambtshalve aanslag met gebruikmaking van een opzettelijk onjuist ingevuld aangiftebiljet IB/PVV, niet een feit is dat onder artikel 69, lid 1 en 2, AWR valt. Het indienen van een dergelijk aangifteformulier kan derhalve worden vervolgd als valsheid in geschrifte in vorenbedoelde zin (HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333).

Een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, lid 3, Awb moet drie constitutieve elementen bevatten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dat dient het daartoe strekkende geschrift duidelijk te maken (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact