top of page
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur december 2025

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | december 2025

Nummer 63: 1 oktober 2025 tot en met 30 november 2025

Wetgeving en beleid

Contante betalingen vanaf € 3.000 per 1 januari 2026 verboden.










Met ingang van 2026 treedt de Wet plan van aanpak witwassen in werking en geldt er een belangrijke beperking voor handelaren. Voor handelaren is het verboden om voor goederen contante betalingen van € 3.000 of meer te verrichten of te accepteren. Het verbod geldt ongeacht of het gaat om één product of een verzameling van goederen waarvan de totale waarde € 3.000 of meer bedraagt. De maatregel ziet specifiek op handelaren, zoals juweliers, kunst- en antiekhandelaren en autobedrijven. Voor dienstverlening geldt het verbod niet. Overigens geldt er voorlopig geen verplichting voor handelaren om contante betalingen onder de € 3.000 te accepteren (Staatsblad 2025, 362). 



Fiscaal procesrecht

Bij de vraag of sprake is van een kenbare fout bij de aanslagoplegging die navordering rechtvaardigt, wordt de kennis van een adviseur aan de belastingplichtige toegerekend.










Op grond van artikel 16, lid 2, letter c van de AWR kan de inspecteur ook zonder nieuw feit navorderen als er bij de aanslag te weinig belasting is geheven en dit de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Hier is in elk geval sprake van wanneer de te weinig geheven belasting ten minste 30 procent van de materieel verschuldigde belasting bedraagt. De belastingplichtige kan dit (bewijs)vermoeden van een kenbare fout weerleggen, als hij stelt en bewijst dat hij in redelijkheid kon menen dat de aanslag op goede gronden is vastgesteld. De Hoge Raad overweegt in dat verband dat het aankomt op de vraag of de belastingplichtige op het moment van kennisneming van de aanslag in redelijkheid kon menen dat de aanslag juist was én dat kennis van een belastingadviseur aan de belastingplichtige wordt toegerekend. Hierbij geldt een objectieve maatstaf; het gaat om wat een adviseur redelijkerwijs had moeten weten (HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1391). 


Een vergrijpboete ex artikel 67e van de AWR kan ook worden opgelegd als een belastingplichtige niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. 











Op grond van artikel 67d van de AWR kan een vergrijpboete wegens het (opzettelijk) niet doen van aangifte alleen worden opgelegd als een uitnodiging tot het doen van aangifte en een aanmaning is verstuurd. Volgens de Hoge Raad heeft artikel 67e van de AWR echter een ruimere strekking. Een boete kan langs die weg worden opgelegd wanneer opzet of grove schuld heeft geleid tot een te lage aanslag, ook zonder dat sprake is geweest van een uitnodiging of aanmaning. De Hoge Raad overweegt verder dat voor de toepassing van de bewijsrechtelijke sanctie omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte het wél vereist is dat er een aangiftebrief en aanmaning aan de belastingplichtige is verzonden. Overigens geldt per 1 januari 2020 dat een spontane aangifte wordt aangemerkt als een aangifte op uitnodiging. In die zin is de werking van dit arrest voor de jaren ná 2020 enigszins beperkt (HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500).


Hoorplicht geschonden wanneer de belastingplichtige op onaanvaardbaar korte termijn is uitgenodigd voor een hoorgesprek. 










In de bezwaarfase heeft de belastingplichtige het recht te worden gehoord alvorens de inspecteur uitspraak op bezwaar doet. Daarvoor dient de inspecteur een redelijke termijn te verlenen. In een geval waarin de inspecteur bij brief van 28 juli 2022 de belastingplichtige heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 1 augustus 2022, oordeelt de Hoge Raad dat de inspecteur daarmee de hoorplicht heeft geschonden. De belastingplichtige heeft door die gang van zaken onvoldoende gelegenheid gehad zijn standpunt mondeling toe te lichten. Dat de belastingplichtige reeds voor 28 juli 2022 de gelegenheid heeft gehad zich op een hoorgesprek voor te bereiden, doet daaraan niet af. Evenmin kan zo’n korte termijn worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de inspecteur verplicht was vóór 5 augustus 2022 uitspraak te doen (HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1473).


KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contante betalingen aan banden
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Kennis adviseur toegerekend aan belastingplichtige
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Helder
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Hoorplicht geschonden bij te korte termijnstelling

Invorderingsrecht

Saneringsakkoord met de Belastingdienst leidt tot forse btw-schuld.










Als de belastingschuldige btw op onbetaalde facturen in aftrek heeft gebracht en vervolgens een saneringsakkoord sluit waarbij voor 80% finale kwijting wordt verleend, dan verplicht artikel 29, lid 7 van de Wet OB tot een correctie: in dat geval staat namelijk vast dat de belastingschuldige 80% van de btw nooit zal betalen. Het standpunt van belastingschuldige dat de facturen door de finale kwijting als betaald moeten worden aangemerkt, werd in deze zaak dan ook niet gevolgd. Kwijtschelding is namelijk geen betaling. Overigens heeft de Belastingdienst de ruimte óók een dergelijke latente btw-schuld bij een saneringsakkoord gedeeltelijk kwijt te schelden. Het is zaak daar op voorhand afspraken over te maken (Rb Zeeland-West-Brabant 19 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8088).  


Fiscaal strafrecht

Naheffingsaanslagen vanwege wetenschap van btw-fraude is volgens het EHRM geen straf in de zin van artikel 7 EVRM.  










Op grond van het zogeheten “Kittel-criterium” van het EHRM kan het recht op vooraftrek van btw of het nultarief worden geweigerd, indien de belastingplichtige wist of of behoorde te weten van btw-fraude in de handelsketen. Deze weigeringsgrond heeft geen basis in de wet. De vraag was derhalve of naheffingsaanslagen langs die weg konden worden aangemerkt als een “penalty” in de zin van artikel 7 EVRM. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een ongeoorloofde dubbele bestraffing als naast de naheffingsaanslagen ook boetes of strafvervolging worden ingezet. Het EHRM overweegt dat de maatregel grote (financiële) gevolgen kan hebben, maar dat maakt de maatregel niet “criminal” van aard in de zin van het EVRM. Tegen die achtergrond concludeert het EHRM dat een belastingaanslag op basis van het Kittel-criterium niet kan worden beschouwd als een ‘penalty’ in de zin van artikel 7 EVRM (EHRM 23 september 2025, nr. 16395/18)



Belastingadviseur ten onrechte als pleger van een opzettelijk onjuiste aangifte aangemerkt.










Op grond van artikel 69, lid 2 van de AWR is strafbaar degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet. De Hoge Raad maakt nogmaals duidelijk dat dit een kwaliteitsdelict is. Dat wil zeggen dat een aangifte uitsluitend kan worden aangemerkt als een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ als de aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of inhoudingsplicht de aangifte betrekking heeft. Dit betekent dat een belastingadviseur die aangiften inkomstenbelasting voor zijn cliënt indient, niet over die vereiste kwaliteit beschikt. Een veroordeling als pleger op grond van artikel 69 van de AWR behoort dan dus niet tot de mogelijkheden. Wel kan de belastingadviseur in zo’n geval als medepleger of medeplichtige strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Ook kan de belastingadviseur op grond van valsheid in geschrifte worden veroordeeld. Dit moet dan wel ten laste worden gelegd, hetgeen in deze zaak niet het geval was (HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1699). 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | BTW kan bij saneringsakkoord voor onprettige verrassingen zorgen
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Ook dat nog
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Belastingadviseur geen pleger onjuiste aangifte
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur december 2025
bottom of page