Nummer 3: 1 september tot en met 30 november 2014

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | december 2014

 

Wetgeving en beleid

 

Formeelrechtelijke wijzigingen in het Belastingplan 2015: buitenlandse boetes niet langer aftrekbaar, dividendbelasting onder het bereik van de belastingrente, duidelijkheid omtrent termijn opleggen boete aan een ander dan de belastingplichtige en een nieuwe hoofdelijke aansprakelijkheid voor de loonbelasting.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 16 september 2014 heeft het kabinet het Belastingplan 2015 aangeboden aan de Tweede Kamer. Op formeel gebied treedt een aantal relevante maatregelen op 1 januari 2015 in werking. Zo is een boete die door een buitenlandse overheidsinstelling wordt opgelegd niet langer aftrekbaar voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Hiermee vervalt het onderscheid in behandeling tussen binnenlandse en buitenlandse boetes. Daarnaast komt er een duidelijke termijn voor het opleggen van fiscale boetes aan een ander dan de belastingplichtige, zoals de medepleger of medeplichtige. Die termijn ontbreekt op dit moment. Bij gebreken in de aangifte wordt voorzien in een termijn van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. Bij gebreken in de aanslagregeling of in de betaling van een aangiftebelasting gaat een termijn van vijf jaren gelden. Verder wordt er een nieuwe aansprakelijkheidsbepaling geïntroduceerd die verband houdt met de verplichte invoering van de werkkostenregeling. Het is mogelijk de werkkostenregeling op concernniveau toe te passen, waardoor binnen het concern één collectieve vrije ruimte wordt gecreëerd waarbinnen vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers onbelast zijn. De aansprakelijkheidsbepaling bewerkstelligt dat alle concernonderdelen hoofdelijk aansprakelijkheid zijn voor de verschuldigde loonheffingen.

Beslistermijn voor uitspraak op bezwaar blijft gelden ondanks instemming van belanghebbende om het bezwaarschrift aan te houden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar bedraagt in beginsel zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Die termijn wordt alleen opgeschort voor zolang de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is. De Belastingdienst kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. Verder uitstel is mogelijk voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat opschorting en uitstel van elkaar moeten worden onderscheiden. Uitstel schort de beslistermijn van zes weken niet op. Dit betekent dat ingeval een belanghebbende bij brief kenbaar maakt niet langer bereid te zijn om het bezwaar af te wachten, de inspecteur vanaf het moment van ontvangst van die brief in verzuim is als de termijn van zes weken is verstreken. Een belanghebbende kan de inspecteur daardoor meteen in gebreke stellen (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2778). 

Omkering en verzwaring van de bewijslast werkt niet door naar de boetegrondslag bij toepassing van artikel 30a Wet op de loonbelasting 1964.

 

 

Indien wordt vastgesteld dat bij een werkgever een werknemer in dienstbetrekking is die niet is opgenomen in de loonadministratie, hoeft de inspecteur niet te bewijzen dat de werknemer al langer bij deze werkgever in dienstbetrekking was. Artikel 30a van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dan dat voor bepaling van de verschuldigde loonbelasting de werknemer geacht wordt al zes maanden in dienst te zijn, tenzij het tegendeel blijkt. Er is dus sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze omkering van de bewijslast niet doorwerkt naar de boetegrondslag. Het bedrag aan verschuldigde loonbelasting dat met omkering van de bewijslast is vastgesteld vormt dus slechts de boetegrondslag voor zover daarop opzet was gericht dan wel dat er sprake was van grove schuld. De bewijslast daarvoor rust op de inspecteur (HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3117).     

Vanaf 2017 meer automatische informatie uitwisseling ter bestrijding van belastingontduiking.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nederland en 51 andere landen die zich gecommitteerd hebben aan de “Common Reporting Standard” (CRS) van de OESO gaan onderling automatisch informatie uitwisselen over mogelijk (buitenlands) belastingplichtigen. Hiertoe zijn Nederlandse financiële instellingen vanaf 1 januari 2016 verplicht hun klanten te identificeren op basis van de CRS. Dit betekent dat zij onder meer moeten nagaan waar hun klanten (fiscaal) inwoner zijn en dus mogelijk belastingplichtig zijn over hun inkomsten. Die informatie moeten zij vervolgens aan de Belastingdienst rapporteren. Met ingang van september 2017 gaat de Nederlandse Belastingdienst de ontvangen informatie automatisch uitwisselen. De gegevens die dan worden uitgewisseld hebben betrekking op het jaar 2016 (nieuwsbericht Rijksoverheid 29 oktober 2014).  

Wetsvoorstel tot vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht bij de Tweede Kamer ingediend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vanaf 2015 wordt digitalisering van de rechtspraak stapsgewijs ingevoerd. Het langs elektronische weg starten van een procedure en het indienen van (proces)stukken wordt verplicht voor professionele partijen die procederen bij de civiele rechter en bestuursrechter. Via een digitaal systeem krijgen alle bij een zaak betrokken partijen toegang tot de ingediende (proces)stukken. Ook bekendmaking van uitspraken zal zoveel mogelijk digitaal plaatsvinden (Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 2).

 

Nieuwe aanwijzing gebruik sepotgronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In (fiscale) strafzaken kan de Officier van Justitie beslissen om niet of niet verder te vervolgen. De zaak wordt dan geseponeerd of getransigeerd, bijvoorbeeld omdat een betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt of omdat er onvoldoende bewijs is. Per 1 september 2014 is er een nieuwe aanwijzing sepotgronden inwerking getreden. Deze aanwijzing geeft regels voor de wijze waarop sepotgronden gehanteerd en geregistreerd moeten worden. Van belang is dat buitengerechtelijke afdoening in de regel wordt geregistreerd in het justitieel documentatieregister. Ook bij een sepot of transactie wordt in dit register de onderliggende grond vermeld. Hoewel dan geen sprake is van een veroordeling kan een dergelijke aantekening in de praktijk vervelende consequenties met zich brengen, bijvoorbeeld met betrekking tot het verkrijgen van een “Verklaring Omtrent het Gedrag”. Een uitzondering maakt de aanwijzing als het feit wordt geseponeerd op de grond dat de betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt. In dat geval wordt het feit in zijn geheel verwijderd uit het documentatieregister. De nieuwe aanwijzing maakt een duidelijk onderscheid tussen deze sepotgrond en de situatie dat er onvoldoende bewijs is, maar de onschuld evenmin onomstotelijk vaststaat (Aanwijzing gebruik sepotgronden, 2014A007).   

Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod bij de Tweede Kamer ingediend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 1 september 2014 is het wetsvoorstel “Wet civielrechtelijk bestuursverbod” bij de Tweede Kamer ingediend. De voorgestelde regeling maakt het de civiele rechter mogelijk een bestuursverbod op te leggen voor een periode van maximaal vijf jaren indien sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder. Het laakbare handelen van de bestuurder moet zich hebben voorgedaan tijdens of binnen drie jaar voorafgaand aan het faillissement van het bedrijf dat door die bestuurder werd geleid. Er hoeft geen strafrechtelijke veroordeling ter zake van faillissementsfraude te hebben plaatsgevonden. Een bestuursverbod kan worden gevorderd door de curator in een faillissement of door het Openbaar Ministerie. De maatregel is onderdeel van het wetgevingsprogramma “Herijking Faillissementsrecht” en is gericht op een effectievere bestrijding van faillissementsfraude. De voorgestelde regeling moet op 1 juli 2015 in werking treden (Kamerstukken II 2014/15, 34 011, nr. 2).     

Wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit door de Eerste Kamer aangenomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 18 november 2014 is het wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit door de Eerste Kamer aanvaard. Het voorstel behelst een actualisering en verruiming van een aantal financieel-economische strafbaarstellingen. Zo wordt voorgesteld de strafmaxima op delicten als omkoping en witwassen te verhogen en bepalingen in te voeren waardoor recidivisten en veroordeelde rechtspersonen zwaarder kunnen worden gestraft. Verder wordt de mogelijkheid om gemaakte kosten van het te ontnemen voordeel af te trekken wettelijk beperkt en wordt een versnelde procedure geïntroduceerd om te oordelen over inbeslaggenomen stukken bij een geheimhouder, waaronder de advocaat en notaris (Kamerstukken I, 2013/14, 33 685, nr. A).

 

Invorderingsrecht

 

De aansprakelijkheidsbepalingen in de Invorderingswet 1990 hebben een zelfstandige betekenis en staan los van elkaar. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat ingeval meer dan één aansprakelijkheidsbepaling gebezigd kan worden en de wet geen dwingende volgorde voorschrijft, het zorgvuldigheidsbeginsel de ontvanger niet verplicht om bij uitsluiting de aansprakelijkstelling te kiezen welke de aansprakelijk gestelde de gunstigste uitgangspositie biedt om zijn aansprakelijkheid met succes te betwisten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van het zogeheten ‘open systeem’ beschikt de ontvanger naast zijn bijzondere aan de Invorderingswet 1990 ontleende bevoegdheden, ook over de civiele bevoegdheden die iedere ander schuldeiser heeft. De Leidraad Invordering 2008 bepaalt dat in situaties waarin de ontvanger keuze heeft tussen de toepassing van zowel een fiscale aansprakelijkheidsbepaling als een civiele aansprakelijkheidsbepaling, in beginsel doorslaggevend gewicht wordt toegekend aan de aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijk gestelde zich kan disculperen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de regel dat de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moet nemen en het uitgangspunt dat iemand alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk kan worden gehouden, behoudens welomschreven wettelijke uitzonderingen. In de keuze tussen fiscale aansprakelijkheidsbepalingen onderling heeft de ontvanger echter meer bewegingsruimte en hoeft hij in het algemeen niet te kiezen voor de bepaling die voor de aansprakelijk gestelde voordeliger kan uitpakken (HR 3 oktober 2014, ECLI:NLHR:2014:2875).      

Fiscaal strafrecht

 

De omstandigheid dat een verdachte-belastingplichtige weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hoge Raad heeft dat onlangs nog eens bevestigd. Het beroep op het zwijgrecht is echter niet geheel zonder enige betekenis. Weliswaar draagt een beroep op het zwijgrecht niet rechtstreeks bij tot het bewijs, het zwijgen mag wel van invloed zijn op de rechterlijke selectie en waardering van aanwijzingen die belastend (kunnen) zijn voor de verdachte. Ingeval de verdachte-belastingplichtige weigert een redelijke verklaring af te geven voor belastende omstandigheden, kan de rechter dit dus gebruiken bij de verwerping van een verweer of in de bewijsoverwegingen betrekken (HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764). 

Bij het storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, dient sprake te zijn van een verbergende of verhullende gedraging wil die gedraging als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat gelden die door belastingontduiking zijn verkregen, kunnen worden aangemerkt als gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Deze gelden kunnen daarmee vallen onder de witwasbepalingen, indien aanvullende handelingen zijn verricht die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Belastingontduiking kan dus niet automatisch (ook) als witwassen worden gekwalificeerd (HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913).

Fiscaal procesrecht

 

Als de belastingplichtige in zijn aangifte over een eerder jaar aftrekposten heeft opgevoerd die door de inspecteur zijn gecorrigeerd, levert het niet-onderzoeken van soortgelijke aftrekposten in een later jaar op zichzelf geen  ambtelijk verzuim op dat aan navordering in de weg staat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is vaste jurisprudentie dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Dit laat onverlet dat de inspecteur met een normale zorgvuldigheid kennis behoort te nemen van de inhoud van de aangifte en nader onderzoek moet instellen indien hij in redelijkheid behoort te twijfelen aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven. De inspecteur behoeft de aangifte echter niet aan een nader onderzoek te onderwerpen indien voor de mogelijke onjuistheid ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is. Daarom is er volgens de Hoge Raad geen sprake van een ambtelijk verzuim indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige (toch) over bewijsmiddelen zou beschikken met betrekking tot aftrekposten die in een eerder jaar zijn gecorrigeerd vanwege gebrek aan bewijs (HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2706). 

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Archief
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Archief
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Archief
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact