top of page
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur augustus 2026

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | augustus 2026

Nummer 66: 1 juni 2026 tot en met 31 augustus 2026

Wetgeving en beleid

Nieuwe standaardbetalingsregeling in de Leidraad Invordering.










De Staatssecretaris van Financiën introduceert voor particulieren een standaardbetalingsregeling. Hiermee is het mogelijk een belastingschuld gespreid te betalen in maximaal twaalf maanden. Dit is één van de wijzigingen in de Leidraad Invordering 2008 die op 1 juli 2026 in werking is getreden. De standaardbetalingsregeling kan worden aangevraagd door particulieren, waaronder ook ex-ondernemers, voor openstaande belastingaanslagen. In beginsel wordt daarbij niet naar de financiële draagkracht van de belastingschuldige gekeken en evenmin hoeft er sprake te zijn van betalingsproblemen, mits de totale belastingschuld minder dan € 100.000 bedraagt (Leidraad Invordering 2008). 


Formeel belastingrecht

De informatiebevoegdheid van artikel 47 AWR is niet territoriaal begrensd. 










In deze zaak stelde de belanghebbende dat hij niet langer in Nederland woonachtig was, maar in Jersey. De inspecteur heeft een woonplaatsonderzoek ingesteld en informatiebeschikkingen afgegeven. Hierna heeft hij via een zogeheten Tax Information Echange Agreement (“TIEA”) bij de bevoegde autoriteiten van Jersey informatie opgevraagd. Volgens belanghebbende zijn de informatiebeschikkingen onrechtmatig vastgesteld, omdat de inspecteur bij uitsluiting verplicht is de gevraagde inlichtingen via de TIEA op te vragen. De Hoge Raad kan zich echter niet met deze stelling verenigen. Hij oordeelt dat de in artikel 47 AWR neergelegde bevoegdheid van de inspecteur om informatie op te vragen die voor de belastingheffing van belang zou kunnen zijn, niet territoriaal is begrensd. Verder brengt een TIEA niet mee dat de inspecteur de door hem gewenste informatie eerst moet opvragen bij de autoriteiten van Jersey alvorens van zijn bevoegdheden op grond van artikel 47 AWR gebruik te mogen maken (HR 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1016). 



Beroep op begunstigend beleid bij de toepassing van een belastingverdrag slaagt niet. 










Een in Nederland wonende piloot, werkzaam voor een Turkse luchtvaartmaatschappij, claimde met een beroep op het gelijkheidsbeginsel toepassing van de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belastingen. Nederland verleent op grond van het belastingverdrag met Turkije voorkoming via de verrekeningsmethode. De piloot beriep zich evenwel op het Golfstatenbesluit. Hierin is goedgekeurd dat Nederland de vrijstellingsmethode toepast, ook wanneer het toepasselijke belastingbedrag de verrekeningsmethode voorschrijft. De Hoge Raad accepteert dit echter niet. Volgens de Hoge Raad zijn belastingverdragen maatwerk. Daarom heeft de staatssecretaris van Financiën een ruime vrijheid om begunstigend beleid te beperken tot specifieke landen. Belastingplichtigen die zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel in een andere verdragsrelatie, zullen derhalve niet snel kunnen volstaan met de stelling dat hun situatie feitelijk vergelijkbaar is en aldus dat sprake is van een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:917). 

Hand met biljetten
Persoon achter hek
Evenwicht der Sferen

Beroep op het vertrouwensbeginsel moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld. 








 

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Hoge Raad benadrukt dat bij de beoordeling of in rechte te beschermen vertrouwen bij een belastingplichtige is gewekt, een objectieve maatstaf moet worden aangelegd. Kortom, niet relevant is welke juridische consequenties de belanghebbende zelf aan de uitlatingen van de inspecteur heeft verbonden, maar of hij uit die uitlatingen redelijkerwijs mocht afleiden hoe de inspecteur zijn bevoegdheden zou uitoefenen (HR 7 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1340).  


Niet-bezwaarmakers box 3 krijgen geen rechtsherstel. 










De Hoge Raad heeft recent antwoord gegeven op de vraag of belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun belastingaanslagen alsnog aanspraak kunnen maken op rechtsherstel voor wat betreft box 3. Die vraag is relevant naar aanleiding van het zogeheten “Kerstarrest”. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat het forfaitaire box 3 stelsel in voorkomend geval in strijd is met het Europese recht van eigendom. De Hoge Raad stelt voorop dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Vervolgens bevestigt de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak dat het Kerstarrest als nieuwe jurisprudentie moet worden aangemerkt voor toepassing van een beroep op ambtshalve vermindering en dat niet-bezwaarmakers daarom geen aanspraak kunnen maken op ambtshalve rechtsherstel. Het ligt in de rede dat deze zaak nog aan het EHRM wordt voorgelegd (HR 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907).  


Fiscaal strafrecht

Onjuiste fiscale kwalificatie resulteert in onhoudbare strafbaarstellingen.   










In fiscale strafzaken bestaat geregeld de neiging van het OM en de Belastingdienst om door structuren heen te kijken en inkomsten van een vennootschap aan personen in privé toe te rekenen. Dat is in voorkomend geval wel zo makkelijk om tot correcties of een bewezenverklaring te komen. Een correcte fiscale kwalificatie is echter ook in strafzaken van doorslaggevend belang om juist te kunnen beoordelen of (opzettelijk) onjuiste belastingaangiften zijn gedaan.  Zo oordeelde het hof Arnhem recent in een fiscale strafzaak dat ontvangen bedragen zowel bij de BV als bij de verdachte in privé fiscaal in aanmerking konden worden genomen. Volgens het hof lagen zowel de zeggenschap als het economische belang bij de verdachte.  In feite werd daarmee door de vennootschapsstructuur heen gekeken. De Hoge Raad acht dit oordeel evenwel onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Immers, als inkomsten fiscaal zijn genoten door een vennootschap die zelf belastingplichtig is, dan kunnen diezelfde inkomsten niet tevens rechtstreeks door de aandeelhouder of bestuurder zijn genoten. Dat de verdachte feitelijk de volledige controle had over de vennootschappen maakt zulks niet anders. Het hof had daarom eerst moeten vaststellen wie de belastingplichtige was voor de ontvangen gelden: de vennootschappen of de verdachte in privé. Pas daarna kan de vraag worden beantwoord of er sprake is van opzettelijk onjuist doen van aangiften vennootschapsbelasting en/of inkomstenbelasting (HR 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1185).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Actief handelen wekt vertrouwen.jpg
Gouden Roulettewiel
Sushi met kuit
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur december 2025
bottom of page