Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 24: 1 juni 2018 tot en met 31 juli 2018

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | augustus 2018

Tax in the City

 

 

Vier maal per jaar verzorgen wij in ons monumentale tuinhuis aan de Keizersgracht praktijkgerichte seminars over actualiteiten in de fiscale advocatuur. De herfst-editie van 11 oktober 2018 staat alweer voor de deur. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze herfst-editie besteden wij aandacht aan de formeelrechtelijke wijzigingen uit het belastingplan 2019 en bespreken wij de laatste ontwikkelingen op het gebied van het fiscale boete- en strafrecht. Zo worden de nieuwe invorderingsmaatregelen tegen belastingontduiking besproken en krijgt de aangekondigde rechtsbescherming tegen dwanginvordering van bestreden belastingaanslagen aandacht. Daarnaast zal worden ingegaan op de toenemende aandacht van het openbaar ministerie voor facilitators en de hiermee samenhangende zorgplicht van de belastingadviseur. Ook passeert de laatste belangwekkende formele jurisprudentie de revue. Kortom, uw kennis van het fiscale strafrecht, fiscaal procesrecht en het invorderingsrecht wordt opgefrist. De onderwerpen zullen aan de hand van diverse praktijkvoorbeelden worden toegelicht. Overigens voldoet de cursus aan het PE-reglement van de NOB en RB. Na afloop ontvangt een bewijs van deelname. Aan de cursus zijn geen kosten verbonden. Aanmelden kan via deze link.

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Tax in te City Autumn Session

Wetgeving en beleid

 

 

De Belastingdienst gaat strenger handhaven bij overtreding van de Wet DBA. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met ingang van 1 juli 2018 wordt de handhaving van de Wet DBA niet meer beperkt tot de meest ernstige gevallen van kwaadwillendheid. De groep wordt uitgebreid met kwaadwillenden die opzettelijk een situatie van overduidelijke schijnzelfstandigheid laten ontstaan, omdat zij weten of hadden kunnen weten dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. De Belastingdienst moet in een dergelijk geval bewijzen dat er sprake is van (i) een echte of fictieve dienstbetrekking en (ii) opzettelijke en overduidelijke schijnzelfstandigheid. Pas als aan deze criteria is voldaan, kan de Belastingdienst aan de betreffende opdrachtgevers en opdrachtnemers naheffingsaanslagen loonheffingen en boetes opleggen. Het is de bedoeling dat de Wet DBA per 1 januari 2020 wordt opgevolgd door een nieuwe wet die meer zekerheid biedt (Brief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 22 juni 2018, 2018-0000112981).   

De Belastingdienst mag het BSN-nummer niet gebruiken in het btw-identificatienummer van ondernemers. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daartoe bestaat volgens de Autoriteit Persoonsgegevens geen wettelijke basis. Teneinde identiteitsfraude te voorkomen moet de Belastingdienst deze handelwijze op korte termijn aanpassen (Nieuwsbericht Autoriteit Persoonsgegevens 6 juli 2018).

De staatssecretaris van Financiën heeft besloten dat een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt aangemerkt als massaal bezwaar indien het bezwaar is gericht tegen de berekening van de vermogensrendementsheffing en voor 15 juli 2018 is ingediend. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als een bezwaarschrift mede ziet op andere geschilpunten dan doet de inspecteur het bezwaar op die punten individueel af. Overigens is de massaalbezwaarprocedure beperkt tot de vraag of de vermogensrendementsheffing op het niveau van de regelgeving in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM (Besluit staatssecretaris van Financiën 7 juli 2018). 

Vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 25 juli 2018 is de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn van kracht geworden. De ‘risk-based approach’ blijft hierin gehandhaafd. Wel dienen belastingadviseurs en accountants een risico beoordeling op te stellen waarin gedragslijnen, procedures en maatregelen worden vastgelegd ter voorkoming van betrokkenheid bij witwassen en het financieren van terrorisme. De wet brengt voorst mee dat ook binnenlandse PEP’s onderworpen moeten worden aan een verscherpt cliëntenonderzoek. Daarnaast is de definitie van UBO gewijzigd. Onder de nieuwe wet is er altijd tenminste één UBO, dus ook als alle uiteindelijk gerechtigden een belang houden van kleiner dan 25%. In dat geval dient het hoger leiding gevend personeel van de cliënt als UBO te worden aangemerkt (Besluit minister van financiën 11 juli 2018).

Fiscaal procesrecht

 

Een fiscaal compromis hoeft niet schriftelijk te worden vastgelegd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een fiscaal compromis mondeling tot stand kan komen. Dat in het Besluit fiscaal bestuursrecht de schriftelijke vorm is voorgeschreven voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, betekent niet dat er sprake is van een aanvullende eis voor de rechtsgeldige totstandkoming daarvan (HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:865).    

Een fout in de aanslag kan niet worden gecorrigeerd via een navorderingsaanslag als die fout een gevolg is van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten of in het recht. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR is navordering mogelijk indien te weinig belasting is geheven doordat een belastingaanslag ten gevolge van een fout tot een te laag bedrag is vastgesteld en dit voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was. Het begrip fout moet ruim worden opgevat. Het gaat bijvoorbeeld om fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van belastingaangiften. Herstel via navordering is evenwel niet mogelijk indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan dus niet worden hersteld via een navorderingsaanslag, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was. Ingeval de inspecteur al bij de aanslagregeling een geautomatiseerde melding heeft gekregen die aanleiding geeft voor nader onderzoek naar de belastingaangifte, dan moet het achterwege blijven van dat onderzoek worden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht dat niet op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR kan worden hersteld. Het verzuim van de inspecteur om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een boekenonderzoek loopt, is daarentegen wel weer een fout dat op grond van voornoemd artikel navordering rechtvaardigt (HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:797 en HR 13 juli 2017, ECLI:NL:HR:2018:1203).

Omkering en verzwaring van de bewijslast werkt door naar de erfgenaam van de belastingplichtige. 

 

 

De Hoge Raad bevestigt dat omkering en verzwaring van de bewijslast een processuele sanctie is die van rechtswege intreedt en zo nodig ambtshalve door de rechter moet worden toegepast. Bij overlijden van de belastingplichtige vervalt deze sanctie niet en gaat deze over op de erfgenamen (HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1106).

Fiscaal strafrecht

 

Advocaat-generaal Machielse meent dat strafrechtelijke vervolging én lijfsdwang wegens het niet voldoen aan de fiscale inlichtingenplicht niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Volgens de advocaat-generaal is geen sprake van een ontoelaatbare dubbele vervolging omdat lijfsdwang is gericht op de invordering, terwijl het strafrecht een ander accent heeft. Beide procedures dienen daarom complementaire doelen, zodat op basis van de uitspraak van het EHRM in de zaak A en B tegen Noorwegen geen sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel (Conclusie A-G Machielse 16 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:444).

Advocaat-generaal IJzerman adviseert de Hoge Raad om aan het EHRM te vragen of de inkeerregeling onder het bereik van artikel 7 EVRM valt.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De inkeerregeling is de laatste jaren een aantal keren gewijzigd. Sinds 2010 kan alleen nog bij een inkeer binnen twee jaar na de onjuiste of onvolledige aangifte boetevrij worden ingekeerd. Daarnaast zijn de boetepercentages sinds 2010 geleidelijk aan verhoogd en gold een tijdelijke boetevrije inkeerperiode van 2 september 2013 tot en met 30 juni 2014. Tegen die achtergrond is artikel 7 EVRM van belang. Op grond van het daarin opgenomen legaliteitsbeginsel dient in beginsel de sanctie te worden opgelegd zoals die ten tijde van het plegen van het strafbare feit wettelijk was vastgelegd. Het legaliteitsbeginsel is echter alleen van toepassing op strafbepalingen en niet op uitvoerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld de regels inzake verjaring. De vraag of de inkeerregeling een strafbepaling is als bedoeld in artikel 7 EVRM en belastingplichten ná 2009 in voorkomend geval dus ook (gedeeltelijk) boetevrij kunnen inkeren, dient volgens advocaat-generaal IJzerman te worden beantwoord door het EHRM (Conclusie A-G IJzerman 14 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:688).    

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact