top of page


Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur | april 2026
Nummer 63: 1 december 2025 tot en met 31 maart 2026
Wetgeving en beleid
Fiscaal procesrecht
De processuele bewijssanctie omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte geldt ook voor de heffing van omzetbelasting.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, noch de btw-richtlijn kan worden afgeleid dat toepassing van een verzwaarde bewijslast niet aan de orde kan zijn bij de heffing van omzetbelasting. Het is vaste rechtspraak dat de regels van het fiscale procesrecht binnen de procedurele autonomie van de lidstaten vallen, mits deze niet in strijd zijn met de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. De Hoge Raad benadrukt dat daar bij de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake van is (HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958).
Invorderingsrecht
A-G Pauwels concludeert dat geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht als de belastingschuldige geen notificatie heeft ontvangen.
Volgens de A-G geldt als hoofdregel dat plaatsing van een belastingaanslag in de digitale berichten box het moment van verzending en bekendmaking vormt. Voor de rechtsgeldigheid van de bekendmaking is ontvangst van een notificatie per e-mail niet vereist. Wel kan het ontbreken van een verzonden notificatie relevant zijn voor de vraag of aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht. Als een belastingschuldige zich heeft aangemeld voor notificaties, maar geen notificatie is verzonden, dan mogen in beginsel geen aanmaningskosten worden opgelegd. De bewijslast van aanmelding en verzending rusten op de ontvanger, aldus de A-G (conclusie A-G Pauwels 6 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:152).


Fiscaal strafrecht
De boetebepaling van artikel 67f AWR heeft geen betrekking op belastingen die in een andere lidstaat moeten worden betaald.
Het nultarief kan bij intracommunautaire leveringen worden geweigerd als de belastingplichtige weliswaar aan de materiële voorwaarden heeft voldaan, maar verwijtbaar betrokken is geweest bij btw-fraude in een andere lidstaat. Voor het in artikel 67f, lid 1 AWR beboetbaar gestelde feit moet evenwel vast komen te staan dat de belastingplichtige (voorwaardelijk) opzet of grove schuld had dat er te weinig omzetbelasting in Nederland zou worden betaald. Met andere woorden: het verwijt moet gericht zijn op het niet-betalen van omzetbelasting in Nederland. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat ingeval de naheffingsaanslag omzetbelasting louter berust op de weigering van het nultarief wegens deelname aan een frauduleuze structuur, dit geen beboetbaar feit ex artikel 67f, lid 1, AWR kan opleveren. Een andersluidende opvatting zou volgens de Hoge Raad in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel, aangezien sanctiebepalingen voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moeten zijn (HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279).
Een bestuurder van een BV kan niet als pleger van een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting worden aangemerkt.
Artikel 69 lid 1 AWR stelt, onder andere, strafbaar degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet. Het hof had geoordeeld dat de bestuurder van de vennootschap die onjuiste aangiften vennootschaps-belasting had ingediend, moet worden aangemerkt als degene die tot het doen van aangiften gehouden was. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad juridisch onjuist, omdat de wettelijke aangifteplicht rust op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet is uitgereikt en dus niet (ook) op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de vennootschap het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen (HR 24 maart 2026,ECLI:NL:HR:2026:424).


bottom of page






