Belastingplan 2016: uitbreiding experimenteerbepaling naar de invordering

27 Jan 2016

 Ferry Piek, fiscaal advocaat.

 

Om tot een ingrijpende vereenvoudiging en stroomlijning van het verkeer tussen belastingschuldigen en de belastingdienst te kunnen komen dient ook de formele wetgeving op het terrein van de invordering te worden aangepast. Omdat de staatssecretaris kennelijk geen begin van idee heeft welke aanpassingen daartoe benodigd zijn, wordt een wettelijke basis gecreëerd om in de praktijk verschillende opties uit te kunnen testen: de experimenteerbepaling.

 

Instemming en gelijke invordering vereist

De experimenteerbepaling wordt opgenomen in artikel 67a Invorderingswet 1990 en komt tekstueel nagenoeg volledig overeen met  de in 2008 ingevoerde heffingspendant van artikel 64 AWR. De bepaling maakt het mogelijk voor de ontvanger om van de geldende wettelijke invorderingsbepalingen af te wijken als dat efficiënter is. Hiertoe is instemming van de belastingschuldige vereist en de contra legem inning mag niet leiden tot voldoening van een lagere schuld dan zou zijn voldaan bij inning conform de wettelijke regels. Daarmee zouden rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd zijn, zodat recht wordt gedaan aan de principes van de experimenteerbepaling, aldus de staatssecretaris.

 

Onduidelijkheid troef

De Raad van State denkt daar anders over en wees de staatssecretaris er op dat het voorgestelde artikel geen enkele clausulering kent, het gehele terrein van de invordering bestrijkt en ziet op alle rijksbelastingen. Daardoor kan niet worden beoordeeld of de experimenteerbepaling noodzakelijk is en of zinvolle experimenten überhaupt mogelijk zijn op het terrein van de invordering.

 

De staatssecretaris beaamt dat, maar acht zulks noodzakelijk omdat hij op dit moment geen idee heeft wanneer de belastingdienst klaar is voor welke experimenten, maar wel nu alvast een wettelijke basis wil hebben voor het geval daar in de toekomst verandering in komt. Onduidelijkheid troef derhalve.

 

Prematuur, onnodig en onwenselijk

De (invoering van de) experimenteerbepaling is daarmee op zijn zachtst gezegd prematuur te noemen. Onnodig en zelfs onwenselijk zou daaraan wat mij betreft nog toegevoegd kunnen worden. De aard en consequenties van invorderingswerkzaamheden brengt mee dat ontvangers in de praktijk doorgaans praktisch ingestelde lieden blijken. In voorkomend geval zijn ontvangers dan ook bereid om met de belastingschuldige tot een redelijker, efficiënter, menselijker of maatschappelijk aanvaardbaarder oplossing te komen dan bij strikte toepassing van de regels mogelijk zou zijn geweest. De nieuwe experimenteerbepaling, en met name het vereiste van gelijke invordering, zou deze praktijk kunnen ondermijnen en tot minder vaststellingsovereenkomsten met ontvangers kunnen leiden. Prematuur, onnodig en onwenselijk derhalve.

 

Deze blog verscheen eerder op www.taxence.nl

 

piek@kanpiek.nl

06 24 91 40 76

Please reload