Duidelijkheid over termijn opleggen fiscale boete aan een ander dan de belastingplichtige

6 Nov 2014

door Arthur Kan, fiscaal advocaat

 

In het algemeen dient de inspecteur een fiscale boete gelijktijdig met de daarmee samenhangende belastingaanslag vast te stellen. De aanslagtermijn bepaalt in dat geval dus tot wanneer de fiscale boete uiterlijk kan worden opgelegd. Met ingang van 1 juli 2009 is het evenwel mogelijk om ook anderen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te beboeten, zoals de medepleger en de feitelijk leidinggever. Aangezien aan dergelijke (rechts)personen geen belastingaanslag wordt opgelegd, is de eis van gelijktijdigheid voor hen opgeheven. Een medepleger kan derhalve ook ná vaststelling van de onderliggende belastingaanslag nog geconfronteerd worden met een fiscale boete. Een duidelijke termijn waarbinnen een dergelijke boete uiterlijk dient te zijn opgelegd ontbreekt op dit moment echter. Het Belastingplan 2015 brengt daar verandering in; er komen specifieke termijnen voor het opleggen van fiscale boetes aan een ander dan de belastingplichtige.

 

De mogelijkheid om een ander dan de belastingplichtige te beboeten is recentelijk verruimd. Naast de bestaande deelnemingsvormen medeplegen en feitelijk leidinggeven kan vanaf 1 januari 2014 ook aan medeplichtigen, uitlokkers en doen plegers een fiscale boete worden opgelegd voor het overtreden van belastingwetgeving. Hoewel tot op heden door de Belastingdienst weinig gebruik is gemaakt van deze (verruimde) sanctiemogelijkheid, is het in het kader van de rechtszekerheid van belang dat wordt vastgelegd tot wanneer een fiscale boete uiterlijk aan een ander dan de belastingplichtige kan worden opgelegd. Op dit moment ontbreekt die termijn. Artikel 67fa van de AWR bepaalt slechts dat de voorwaarde van gelijktijdigheid in voorkomend geval niet geldt als een boete wordt opgelegd aan de medepleger of feitelijk leidinggever. Voor de andere overtreders, waaronder de medeplichtige, is deze voorwaarde niet opgeheven, terwijl in die gevallen evengoed geen belastingaanslag wordt opgelegd. De termijn voor het opleggen van een boete lijkt in zoverre dus afhankelijk te zijn van het antwoord op de vraag of men bijvoorbeeld als medepleger of als medeplichtige boeterechtelijk aansprakelijk wordt gehouden. Een onwenselijk onderscheid.

 

De voorgestelde artikelen 67oa en 67ob van de AWR, die met ingang van 1 januari 2015 in werking moeten treden, voorzien in deze lacune en stellen duidelijke termijnen vast. Bij het opleggen van een fiscale boete aan een ander dan de belastingplichtige, wordt aangesloten bij de termijn voor het opleggen van de belastingaanslag aan de belastingplichtige. Daarnaast wordt de voorwaarde dat de fiscale boete gelijktijdig met de vaststelling van de belastingaanslag wordt opgelegd voor alle deelnemingsvormen opgeheven. Zo wordt voor het opleggen van een fiscale boete aan een ander wegens gebreken in de aangifte voorzien in een termijn van 3 jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. Bij gebreken in de aanslagregeling of in de betaling van een aangiftebelasting gaat een termijn van 5 jaren gelden aanvangende na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden.

 

 

 

 

Please reload