Nummer 6: 1 mei tot en met 30 juni 2015

Nummer 17: 1 maart tot en met 30 april 2017

Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur |  mei 2017

Wetgeving en beleid

 

 

Belastingdienst beëindigt haar actie balansschulden omzetbelasting. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met ingang van 2013 heeft de Belastingdienst intensiever gecontroleerd op het niet-suppleren van verschuldigde btw. Hierbij gold het beleid dat slechts een verzuimboete van 10% werd opgelegd wanneer de naheffingsaanslag btw minder dan € 50.000 bedroeg. Dit beleid is per 1 maart 2017 beëindigd. Vanaf dat moment geldt weer het reguliere beleid, zoals opgenomen in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Op grond van dit beleid wordt bij een vrijwillige verbetering geen boete opgelegd als het alsnog te betalen bedrag niet hoger is dan € 20.000 en ook niet meer dan 10% van de betaalde btw bedraagt (bericht Belastingdienst 20 februari 2017). 

Handboek Controle van de Belastingdienst openbaar gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit handboek, dat naar aanleiding van een Wob-verzoek bekend is gemaakt, bevat interessante informatie over de wijze waarop controles worden uitgevoerd en de richtlijnen die controleambtenaren in acht moeten nemen. Het handboek biedt een mooi naslagwerk inzake de regels die de Belastingdienst bij een belastingcontrole in acht moet nemen (Handboek Controle van de Belastingdienst 16 maart 2017). 

Wetsvoorstel UBO-register gepubliceerd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit wetsvoorstel implementeert de EU-richtlijn op basis waarvan informatie over de UBO (‘ultimate beneficial owner’) openbaar moet worden gemaakt ter bestrijding van belastingontduiking en witwassen. UBO is de natuurlijk persoon die voor meer dan 25% de uiteindelijke eigenaar is van, of zeggenschap heeft over, een onderneming of rechtspersoon. Voorgesteld wordt UBO-informatie op te nemen van alle ondernemingen en rechtspersonen die op dit moment moeten worden ingeschreven in het handelsregister, behoudens eenmanszaken, publiekrechtelijke rechtspersonen en vereniging van eigenaren. Buitenlandse rechtspersonen met een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hebben vooralsnog geen plicht tot het registeren van hun UBO. De UBO-gegevens die openbaar worden gemaakt zijn: naam, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de UBO gehouden economische belang. Bepaalde autoriteiten, zoals de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie, krijgen toegang tot additionele gegevens. De verplichting van ondernemingen en rechtspersonen om UBO-informatie aan te leveren bij de Kamer van Koophandel wordt strafrechtelijk gesanctioneerd. Daarnaast bestaat het voornemen om ook Wwft-instellingen, zoals banken, advocaten en belastingadvieskantoren, te verplichten een melding te doen aan de Kamer van Koophandel in het geval zij gerede twijfel hebben over de juistheid van bepaalde UBO-informatie. De wetgeving dient uiterlijk 26 juni 2017 in werking te treden. Ondernemingen en rechtspersonen die bij inwerkingtreding al zijn ingeschreven krijgen 18 maanden de tijd hun UBO-informatie aan te leveren (Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden 31 maart 2017). 

Fiscaal procesrecht

 

Onbeperkte navorderingsbevoegdheid erfbelasting heeft geen terugwerkende kracht. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 66, lid 3, van de Successiewet is ter bestrijding van de zogeheten ‘Edelweissroute’ op 1 januari 2012 inwerking getreden en bepaalt dat de navorderingsbevoegdheid voor de erfbelasting niet vervalt voor zover het gaat om buitenlands vermogen. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat deze bepaling geen onbeperkt terugwerkende kracht heeft. Gevallen die op 1 januari 2012 reeds waren verjaard herleven dus niet (HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:356). 

Ook procesbelang mogelijk na volledig gehonoreerd bezwaar. . 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is vaste rechtspraak dat partijen in beroep en hoger beroep hun standpunten mogen wijzigen. Een rechtsmiddel moet niet-ontvankelijk worden verklaard, als het aanwenden van dat rechtsmiddel de indiener niet in een betere positie kan brengen. Hierbij is niet van belang dat de inspecteur in de bezwaarfase al volledig is tegemoetgekomen aan het door de belanghebbende ingenomen standpunt (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:392).  

Geen omkering en verzwaring van de bewijslast zonder aanmaning tot het doen van aangifte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, treedt ambtshalve de processuele sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in. Hiervan is, onder meer, sprake als de belanghebbende geen aangifte heeft gedaan. De inspecteur zal in dat geval wel moeten bewijzen dat zowel de uitnodiging als de aanmaning tot het doen van aangifte naar het juiste adres is verzonden (HR 14 april 2014, ECLI:NL:HR:2017:675). 

Invorderingsrecht

A-G IJzerman concludeert dat een bestuurder van een vennootschap, waarvan de zetel naar het buitenland is verplaatst, niet aansprakelijk kan worden gesteld als die bestuurder feitelijk geen invloed kon uitoefenen op de betaling van de belastingschulden van de vennootschap.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op grond van artikel 41 IW is ieder die ‘belast’ is met de verplaatsing van een vennootschap naar het buitenland hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschaps- en dividendbelasting van die vennootschap, tenzij diegene bewijst dat het niet-betalen niet aan hem is te wijten. Volgens de A-G is aldus aansprakelijk elke bestuurder die onvoldoende zorg heeft betracht voor de voldoening van de door de vennootschap verschuldigde belastingen. Een zogeheten ‘substance directeur’, een bestuurder werkzaam voor een trustkantoor die feitelijk geen beslissingen kon nemen omtrent de bedrijfsvoering, is echter niet aan te merken als een met de verplaatsing van de vennootschap belaste persoon in vorenbedoelde zin (A-G IJzerman 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:200).     

Aansprakelijkheid fiscale eenheid omzetbelasting niet in strijd met het Unierecht. 

 

 

Artikel 43 IW voorziet in een aansprakelijkstelling op grond waarvan verschuldigde omzetbelasting kan worden ingevorderd bij de personen die de fiscale eenheid omzetbelasting vormen en op wie civielrechtelijk bezien gezamenlijk de belastingschuld rust. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de aansprakelijkstelling niet onverenigbaar is met de Europese beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Ook maakt de Hoge Raad duidelijk dat de deelnemers aan een fiscale eenheid omzetbelasting aansprakelijk blijven voor de omzetbelastingschulden van de fiscale eenheid, ook als die fiscale eenheid inmiddels is verbroken. Voorwaarde is wel dat de belastingschuld materieel is ontstaan in de periode dat de fiscale eenheid nog bestond (HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:438).

Betalingen aan dwangcrediteuren die de bestuurder niet kan voorkomen, leveren op zichzelf geen kennelijk onbehoorlijk bestuur op.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bestuurder kan slechts worden verweten kennelijk onbehoorlijk te hebben bestuurd, in de zin van art. 36, lid 3, IW, indien deze bij machte is om de gewraakte bestuurshandelingen niet te verrichten. Een bestuurder is dan ook niet gehouden, nadat de betalingsonmacht van de vennootschap is gemeld, de ontvanger op eigen initiatief te informeren over de handelswijze van een dwangcrediteur, zoals bijvoorbeeld een bank of leverancier. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat aansprakelijkstelling voor verschuldigde invorderingsrente pas kan plaatsvinden nadat bij voor bezwaar vatbare beschikking invorderingsrente aan de belastingschuldige-vennootschap in rekening is gebracht (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530).

Fiscaal strafrecht

 

Het HvJ van de EU concludeert dat een dubbele sanctie voor hetzelfde feit niet in strijd is met het Handvest indien de vennootschap en haar wettelijke vertegenwoordiger afzonderlijk worden bestraft. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit betekent bijvoorbeeld dat indien een vennootschap btw niet tijdig betaald, het ne bis in idem-beginsel van het Handvest van de EU er niet aan in de weg staat dat zowel aan de vennootschap als haar directeur-grootaandeelhouder een strafachtige sanctie wordt opgelegd. Dat de straffen betrekking hebben op de niet-betaling van dezelfde btw doet daar niet aan af (HvJ EU 5 april 2017, C-217/15). 

De strafrechter die oordeelt in een ontnemingsprocedure dient bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening te houden met de reeds geheven belastingen over dat voordeel. 

In het Nederlandse belastingrecht geldt het principe van fiscale neutraliteit. Dit betekent dat wederechtelijk verkregen voordeel op normale wijze in de belastingheffing wordt betrokken. Indien dat voordeel vervolgens op grond van de zogeheten ‘Pluk-ze-wetgeving’ wordt afgepakt, kan het bedrag dat daarmee gemoeid is als fiscale aftrekpost in aanmerking worden genomen. In zoverre wordt de belastingheffing geneutraliseerd. De keuze voor dit systeem brengt volgens de Hoge Raad mee dat de strafrechter bij de bepaling van de hoogte van het wederechtelijk verkregen voordeel geen rekening houdt met bedragen die reeds via de belastingheffing als voordeel zijn ‘ontnomen’ (HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429).

Onderzoek door opsporingsambtenaar aan smartphone is op basis van huidige regelgeving alleen rechtmatig indien de inbreuk op de privacy van de gebruiker als beperkt kan worden beschouwd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook in fiscale strafzaken is de smartphone, ipad of computer van de verdachte-belastingplichtige regelmatig een bron van informatie. Dergelijke elektronische gegevensdragers worden dan ook vaak door de FIOD inbeslaggenomen en uitgelezen. De Hoge Raad oordeelt dat de huidige algemene bevoegdheid tot inbeslagname van de FIOD daarvoor voldoende wettelijke grondslag biedt, indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal gegevens. Als het onderzoek aan de smartphone, ipad of computer echter zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte-belastingplichtige, dan kan dat onderzoek onrechtmatig zijn. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer alle opgeslagen gegevens op de smartphone door de FIOD zijn uitgelezen. Het is overigens de vraag of in zo’n geval de verkregen gegevens steeds van het bewijs moeten worden uitgesloten. De Hoge Raad is terughoudend met het uitsluiten van bewijs bij vormverzuimen in het opsporingsonderzoek. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de officier van Justitie en de rechter-commissaris onderzoek aan elektronische gegevensdragers kunnen doen dat een meer dan beperkte inbreuk op de privacy meebrengt. In zoverre voorziet de Hoge Raad in een wettelijke leemte, in afwachting van nieuwe regelgeving op dit specifieke gebied (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588).       

De pleitbaarheid van een standpunt dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vaststelling dat een bepaalde structuur in strijd is met doel en strekking van de wet en met toepassing van fraus legis dient te worden gecorrigeerd, brengt op zichzelf niet mede dat sprake is van strafwaardig handelen. De inspecteur zal in een dergelijk geval moeten bewijzen dat de belastingplichtige opzettelijk of grofschuldig een onjuiste aangifte heeft gedaan. Als een onjuiste aangifte wordt gedaan, kan ter zake daarvan geen vergrijpboete worden opgelegd indien aan die aangifte een pleitbaar standpunt ten grondslag ligt. Daarvan is sprake als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte redelijkerwijs kon en mocht menen dat de door hem gedane aangifte juist was. De Hoge Raad oordeelt dat de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld. Het is derhalve niet van belang of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg daadwerkelijk voor ogen had. Ook een achteraf bedachte uitleg van een in de aangifte ingenomen standpunt kan derhalve in voorkomend geval als pleitbaar worden aangemerkt, bijvoorbeeld op grond van de wettekst, de parlementaire geschiedenis en in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen. De Hoge Raad heeft verder duidelijk gemaakt dat het pleitbaar standpunt niet alleen in het fiscale boeterecht, maar ook in het fiscale strafrecht objectief moet worden beoordeeld (HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638).

KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Nieuwsbrief Fiscale Advocatuur
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact
KanPiek Fiscale Advocatuur Amsterdam | Contact